Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6178

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
C/10/710523 / JE RK 25-2405
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265j BWArt. 283 RvArt. 810a lid 2 RvArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontbreken ernstige bedreiging ontwikkeling

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (GI) had verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van de minderjarige, maar trok dit verzoek later in. De vader verzocht vervolgens zelf om verlenging van de OTS en om aanvullende maatregelen, waaronder de benoeming van een deskundige.

De rechtbank oordeelt dat de vader als juridische ouder gerechtigd is om een verlengingsverzoek in te dienen na intrekking door de GI. Uit het dossier blijkt dat de minderjarige sinds oktober 2020 onder toezicht staat, met een onderbreking, en dat het contact met de vader al lange tijd ontbreekt. De minderjarige heeft EMDR-therapie succesvol afgerond en functioneert goed, zonder restklachten.

De kinderrechter stelt vast dat er nog enige bedreiging is voor de ontwikkeling van de minderjarige, maar niet langer een ernstige bedreiging. Voorts waarschuwt de behandelaar dat gedwongen contactherstel contraproductief kan zijn en klachten kan verergeren. Daarom is verlenging van de OTS niet passend en worden ook de overige verzoeken van de vader afgewezen.

De beslissing is genomen met inachtneming van het belang van het kind en de procesrechtelijke positie van de vader. Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en overige verzoeken van de vader worden afgewezen wegens ontbreken van ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/710523 / JE RK 25-2405
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende in Rotterdam.
[naam vader], [1]
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.H. Boomstra, kantoorhoudende in Amsterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 27 februari 2026, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RBROT:2026:3220, en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 31 maart 2026;
  • de schriftelijke reactie van de vader van 29 april 2026 op de briefrapportage van de GI.
1.2.
Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met mr. F.M.M. van Eijck, waarnemend voor mr. W.H. Boomstra;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar
wel de taal Irakees-Arabisch, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met telefonische bijstand van Z. Habib, tolk in de taal Irakees-Arabisch. De kinderrechter heeft vastgesteld dat zij is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëindigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . De vader heeft [voornaam minderjarige] kort na zijn geboorte erkend. [voornaam minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.2.
Bij beschikking van 29 augustus 2025 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 14 januari 2026.
2.3.
De GI heeft op 21 november 2025 de verlenging van de ondertoezichtstelling met één jaar verzocht. Naar aanleiding daarvan is de ondertoezichtstelling drie maal kortstondig verlengd:
- op 9 januari 2026 (verlenging tot 14 februari 2026, de moeder kon niet aanwezig zijn bij een geplande zitting);
- op 5 februari 2026 (verlenging tot 28 februari 2026, vanwege de afwezigheid van een tolk en omdat de vader en zijn advocaat bepaalde stukken niet hadden ontvangen voorafgaand aan de zitting);
- op 27 februari 2026 (verlengd tot 28 mei 2026, de kinderrechter wilde nadere informatie).

3.Het verzoek van de GI, de intrekking daarvan en de verzoeken van de vader

3.1.
De GI heeft op 21 november 2025 verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarbij is verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Op 22 januari 2026 heeft de GI haar verzoek ingetrokken. De Raad heeft op verzoek van de GI die intrekking getoetst en op 5 februari 2026 ingestemd met de voorgenomen beëindiging van de ondertoezichtstelling.
3.3.
De vader verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen. Daarnaast verzoekt hij de GI op te dragen de ondertoezichtstelling uit te voeren, antwoord te geven op een aantal vragen zoals verwoord in zijn reactie van 29 april 2026, een deskundige te benoemen en te overwegen om de GI te vervangen.

4.De standpunten

4.1.
De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling niet verlengd moet worden en dat ook de overige verzoeken van de vader moeten worden afgewezen. Het gaat inmiddels op zich goed met [voornaam minderjarige] . De enige reden van de ondertoezichtstelling is dat hij geen contact heeft met zijn vader. [voornaam minderjarige] heeft veel therapie gehad en in juli 2025 is de EMDR-therapie succesvol afgerond. Het contactherstel met de vader is, ondanks de inspanningen die zijn verricht, niet geslaagd. [voornaam minderjarige] heeft in de loop der jaren consequent aangegeven geen contact te willen met zijn vader en hij ervaart de inspanningen die worden verricht om het contact te herstellen met de vader als dwingend. De EMDR-behandelaar van [voornaam minderjarige] heeft aangegeven dat de kans bestaat dat de klachten van [voornaam minderjarige] terugkomen als verder geprobeerd wordt om contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader te herstellen, mogelijk zullen de klachten zelfs ernstiger worden dan dat zij voor de EMDR waren. Verlenging van de ondertoezichtstelling is volgens de GI onethisch en niet in het belang van [voornaam minderjarige] .
4.2.
Door en namens de vader is bepleit dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd. Er is tijdens de ondertoezichtstelling veel te weinig gebeurd om het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader te herstellen. Vanaf (in ieder geval) 2020 is er geen contact meer tussen [voornaam minderjarige] en de vader. Er is meermaals geprobeerd om er samen met moeder uit te komen. Deze pogingen zijn niet succesvol gebleken. De vader is van mening dat [voornaam minderjarige] onder druk van zijn moeder staat en daarom geen contact wil met de vader. De ondertoezichtstelling is slecht verlopen en daarom zou een andere GI volgens de vader passend zijn. Er zijn veel wisselingen van jeugdbeschermer geweest, waardoor de hulpverlening telkens vertraging opliep. [voornaam minderjarige] is van 2022 tot 2025 het slachtoffer geworden van lange wachttijden. De GI heeft jarenlang gezegd dat [voornaam minderjarige] een demoniserend beeld van zijn vader heeft. Echter, uit de door de GI overgelegde rapportage van de EMDR-behandeling blijkt dat hij dit niet heeft, maar juist een afwezig beeld heeft van de vader. De vader heeft [voornaam minderjarige] de afgelopen jaren één keer gezien, waarbij [voornaam minderjarige] geen bange indruk maakte en zelfs blij was hem te zien. Ook het wijkteam had – in een verder verleden – de indruk dat [voornaam minderjarige] niet bang was voor zijn vader. De uitkomst van een eerdere speltherapie wordt in twijfel getrokken, wegens de (ook door de GI destijds erkende) ondeskundigheid van de behandelaar. De vader vraagt om de benoeming van een deskundige om te kijken wat de reden is dat [voornaam minderjarige] geen contact wil en wat daaraan gedaan kan worden.
4.3.
Door en namens de moeder is bepleit dat de ondertoezichtstelling niet zal worden verlengd en dat ook de (neven)verzoeken van de vader worden afgewezen. Het gaat nu goed met [voornaam minderjarige] . Dat heeft veel moeite gekost: hij heeft de afgelopen jaren veel verschillende therapieën gehad. De reden voor die therapieën is dat er in het verleden veel is gebeurd tussen de vader en de moeder. [voornaam minderjarige] heeft EMDR-therapie bij Youz gevolgd en deze in juli 2025 positief afgerond. De behandelaar van Youz heeft aangegeven de moeder realistisch en meewerkend te vinden. De wens van [voornaam minderjarige] om geen contact te hebben met de vader, moet worden gerespecteerd. Het benoemen van een nieuwe deskundige zorgt voor meer uitstel en het verandert niets voor [voornaam minderjarige] . Alle rapportages die tot nu toe zijn ingediend, concluderen hetzelfde. [voornaam minderjarige] wil geen contact met zijn vader en dit contact proberen te herstellen, zal hem verder schaden.

5.De beoordeling

Welke verzoeken moeten beoordeeld worden?
5.1.
De GI heeft haar verlengingsverzoek ingetrokken en de vader heeft in reactie daarop verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen. Daarnaast heeft hij een aantal (neven)verzoeken gedaan (zie 3.3). De kinderrechter ziet hierin aanleiding eerst in te gaan op de vraag welk verzoek of welke verzoeken nu voorliggen. De kinderrechter doet dat ook vanwege het betoog van de GI dat de kinderrechter op 27 februari 2026 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de ondertoezichtstelling te verlengen terwijl de GI het verzoek hiertoe had ingetrokken.
5.2.
De wettelijke regeling omtrent de ondertoezichtstelling gaat ervan uit dat de GI het voortouw heeft bij de verlenging van een bestaande ondertoezichtstelling. De GI kan dit verzoeken bij de kinderrechter (artikel 1:260 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)). Als de GI voornemens is om geen verlenging te verzoeken, moet zij dit meedelen aan de Raad voor de kinderbescherming (hierna: de Raad) (artikel 1:265j BW). Als de GI geen verlenging verzoekt, kunnen de Raad, een ouder en (kort gezegd) de verzorger van het kind de kinderrechter om een verlenging vragen (artikel 1:260 lid 2 BW Pro). Als de GI eenmaal een verlengingsverzoek heeft gedaan, dan kan zij dit verzoek op grond van artikel 283 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wijzigen en zelfs intrekken. [2]
5.3.
De wet voorziet er niet in hoe met een intrekking door de GI van een reeds gedaan verlengingsverzoek moet worden omgegaan. De kinderrechter is van oordeel – zoals ook op zitting met partijen besproken – dat in die situatie artikel 1:260 lid 2 en Pro 1:265j BW naar analogie moeten worden toegepast. Concreet: de GI moet de voorgenomen intrekking van haar verlengingsverzoek melden aan de Raad en als de GI tot intrekking overgaat, dan kan de Raad, een ouder of de verzorger van het kind alsnog om een verlenging vragen.
5.4.
Het stond de vader als (juridisch) ouder gelet op de intrekking van het verzoek van de GI dus vrij om een eigen verlengingsverzoek te doen. Het betoog van de GI dat de vader geen gezag heeft en zich daarom niet op (een analoge toepassing van) artikel 1:260 lid 2 BW Pro kan beroepen slaagt niet. Artikel 1:260 lid 2 BW Pro ziet immers ook op de ouder zonder gezag. [3]
5.5.
Over de wijze waarop de vader de verlenging heeft gevraagd merkt de kinderrechter nog het volgende op. Dat de vader een verlenging wil, was ook op de zitting van 27 februari 2026 duidelijk en in zijn schriftelijke reactie op de rapportagebrief van de GI heeft hij verzocht om de GI te bevelen de ondertoezichtstelling uit te voeren. Op de zitting van 20 mei 2026 heeft de advocaat van de vader bevestigd dat de vader een verlenging van de ondertoezichtstelling verzoekt. Dit voldoet naar de letter niet aan het toepasselijke procesreglement, maar het was voor alle betrokkenen van het begin duidelijk dat de vader een verlenging wilde en dat dit zou worden besproken op de zitting van 20 mei 2026. Niemand wordt hierdoor in zijn processuele belangen geschaad.
5.6.
De slotsom is dat de kinderrechter vaststelt dat de GI haar verzoek heeft ingetrokken en dat de vader als juridische ouder van [voornaam minderjarige] gerechtigd is om de verlenging van de ondertoezichtstelling te verzoeken. De kinderrechter merkt de moeder en de GI aan als belanghebbenden ten aanzien van dit verzoek van vader.
5.7.
Het betoog van de GI dat de kinderrechter in de beslissing van 27 februari 2026 buiten de grenzen van het rechtsgeding is gegaan door ondanks de intrekking van het verlengingsverzoek de ondertoezichtstelling te verlengen, leidt niet tot een andere beslissing. Vaststaat dat de ondertoezichtstelling toen is verlengd en nu nog loopt; als de GI het daar niet mee eens was, kon zij dat in een hoger beroep aan de orde stellen.
Verdere inhoudelijke beoordeling
5.8.
[voornaam minderjarige] staat sinds oktober 2020 onder toezicht van de GI met een onderbreking van ongeveer een jaar. De huidige ondertoezichtstelling loopt sinds 10 oktober 2024. [4] De huidige situatie is – zoals hierna zal worden toegelicht – dat het op zich goed gaat met [voornaam minderjarige] behalve dat hij al lange tijd geen contact heeft met zijn vader. De vraag die voorligt, is of de ondertoezichtstelling met het oog op contactherstel moet worden verlengd, of niet.
5.9.
In de beslissing van 27 februari 2026 heeft de kinderrechter, kort gezegd, overwogen er niet van overtuigd te zijn dat de GI alles heeft gedaan voor contactherstel en aangegeven dat er een aantal punten was die de GI en/of de ouders nader moesten toelichten. De kinderrechter heeft toen de ondertoezichtstelling verlengd voor drie maanden, met aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
5.10.
De kinderrechter komt op basis van het dossier en het verhandelde op zitting tot de volgende vaststellingen en conclusies.
a. De ouders zijn uit elkaar gegaan in 2016. [voornaam minderjarige] was toen 1,5 à 2 jaar oud. Het is niet gebleken dat [voornaam minderjarige] nadien nog bij de vader heeft gewoond, zoals de vader stelt en de moeder betwist. De GI heeft hierover geen informatie verstrekt. In de beslissing van 27 februari 2026 is al geoordeeld dat het enkele feit dat [voornaam minderjarige] bij zijn vader ingeschreven was, onvoldoende is om aan te nemen dat hij daar heeft gewoond. De kinderrechter gaat er daarom vanuit dat [voornaam minderjarige] na de scheiding in 2016 niet meer bij de vader heeft gewoond, maar bij de moeder. Er is geen concrete informatie beschikbaar gekomen over contacten tussen [voornaam minderjarige] en zijn vader sinds de scheiding. Duidelijk is dat er in ieder geval sinds oktober 2020 geen contact meer is geweest, behoudens een ontmoeting op straat / bij een speeltuin in 2023.
Sinds 2020 is een groot aantal jeugdbeschermers bij [voornaam minderjarige] betrokken geweest. Er zijn voor [voornaam minderjarige] en zijn ouders meerdere trajecten geweest. In januari 2020 heeft het wijkteam systeemondersteuning gegeven (kennelijk met name gesprekken met de vader). [voornaam minderjarige] heeft ‘Piep zei de muis’ doorlopen in het voorjaar van 2021 en speltherapie gehad in de eerste helft van 2022. Na de speltherapie is [voornaam minderjarige] aangemeld bij Youz voor traumatherapie vanwege herhalingsklachten. Hij heeft uiteindelijk 2,5 jaar moeten wachten op EMDR-therapie bij Youz. Traumabehandeling van [voornaam minderjarige] bij Fier in januari 2023 en bij Sensa-Zorg in augustus 2023 is blijkens de afsluitrapportage niet van de grond gekomen (bij Fier niet vanwege de afstand naar de locatie). Beide ouders zijn aangemeld bij De Waag. Naar de vader onbetwist stelt, heeft hij zijn behandeling bij De Waag doorlopen en zag De Waag bij hem geen (agressie)probleem; volgens hem vond De Waag dat de ouders samen in gesprek moesten. De moeder heeft – zo maakt de kinderrechter op uit de afsluitrapportage van de GI – geen gesprekken bij De Waag gehad.
In de eindevaluatie van Youz van 7 juli 2025 staat kort gezegd het volgende:
- [voornaam minderjarige] heeft in 2025 EMDR-behandelingen gehad gericht op het wegnemen van nare herinneringen aan zijn vader en [voornaam minderjarige] wil zijn vader niet zien omdat hij hem nauwelijks kent,
- [voornaam minderjarige] komt over als een vrolijke en slimme jongen die adequaat contact maakt, stevig in zijn schoenen staat en thuis en op school goed functioneert, vriendjes heeft, een sport beoefent; hij heeft zelfvertrouwen en is goed in staat zijn emoties en gedachten te verwoorden;
- er zijn geen restklachten en gezien het hoge niveau van functioneren van [voornaam minderjarige] is er geen verdere behandeling geïndiceerd;
- over gedwongen contactherstel staat in het rapport:
“Wanneer tegen de wens van [voornaam minderjarige] [om geen contact met vader te hebben] in wordt gegaan en hij wordt gedwongen het contact met zijn biologische vader aan te gaan, bestaat het risico dat de behandelde herinneringen opnieuw tot klachten gaan leiden. De behandelde herinneringen hingen samen met het idee dat zijn biologische vader niet naar zijn wensen luistert. Dat idee zou (opnieuw) bevestigd kunnen worden door gedwongen pogingen het contact met zijn biologische vader te herstellen. De kans is groot dat de afkeer van zijn biologische vader (en het rechtssysteem) daardoor toeneemt.”
In november 2025 was het de bedoeling van de GI om te starten met video-omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader en om hem alvast aan te melden bij het Rotterdamse omgangshuis. Dit is niet gebeurd. [voornaam minderjarige] is na de indiening van het verzoekschrift ingedeeld bij een nieuw team binnen de GI. Dit nieuwe team vond en vindt het onverantwoord en onethisch om nog langer contactherstel na te streven, dit vanwege de bevindingen van Youz. Aanmelding bij het omgangshuis is daarnaast volgens de GI ook niet mogelijk. Aanmelding daar vereist dat [voornaam minderjarige] in enige mate gemotiveerd is voor contact met zijn vader.
De EMDR-behandelaar van [voornaam minderjarige] heeft na 27 februari 2026 nader uitgelegd welk beeld [voornaam minderjarige] heeft van zijn vader (vergelijk r.o. 6.2 van de beslissing van 27 februari 2026). De behandelaar zegt dat [voornaam minderjarige] geen gedemoniseerd vaderbeeld heeft. Hij heeft een afwezig of nauwelijks ontwikkeld vaderbeeld. De negatieve associaties die hij heeft, zijn volgens de behandelaar niet het gevolg van beïnvloeding van moeder, maar komen voort uit concrete, door hem ervaren gebeurtenissen, waarbij vader zich meerdere keren aan hem heeft opgedrongen. Deze ervaringen hebben geleid tot spanning en klachten. Op basis hiervan is zijn beeld van vader gevormd. De behandelaar waarschuwde ook na 27 februari 20266 ervoor dat gedwongen contact, of zelfs het gevoel opnieuw geen keuze te hebben ten aanzien van het contact, kunnen werken als triggers, waardoor het trauma opnieuw wordt geopend. Daarbij bestaat volgens de behandelaar het risico dat de klachten hierdoor verergerd zouden worden. [voornaam minderjarige] heeft ervaren dat zijn grenzen niet werden gerespecteerd door de vader en de GI. Als hij nu opnieuw wordt gedwongen tot contact terwijl hij daar geen motivatie voor heeft, herhaalt zich precies datgene waar hij eerder last van heeft gehad: het niet gehoord worden en het overschrijden van zijn grenzen. De behandelaar vindt de moeder realistisch, coöperatief en ondersteunend.
Er is geen concrete informatie beschikbaar gekomen over de vraag of huiselijk geweld een contra-indicatie was voor (on)begeleid contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader.
De kinderrechter is (nog steeds) van oordeel dat de ondertoezichtstelling niet goed is verlopen. Er zijn te veel wisselingen van jeugdbeschermers geweest en de behandeling van [voornaam minderjarige] is te laat van de grond gekomen.
5.11.
Het is tegen deze achtergrond dat de kinderrechter het verlengingsverzoek beoordeelt. Voor toewijzing daarvan is vereist dat er sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat er nog wel sprake is van enige bedreiging van zijn ontwikkeling, maar dat niet langer gesproken kan worden over een ernstige bedreiging. Het gaat op dit moment goed met [voornaam minderjarige] , hij is inmiddels 11 jaar en wil al langere tijd en consequent geen contact met zijn vader. Er zijn na de EDMR behandeling geen resterende klachten en hij functioneert goed. Op termijn kan hij nadeel ondervinden van het gebrek aan contact met de vader, maar op dit moment en bij deze stand van zaken is dat niet meer voldoende om te spreken van ernstige ontwikkelingsbedreiging.
5.12.
Volledigheidshalve overweegt de kinderrechter nog het volgende. De EMDR-behandelaar waarschuwt ervoor dat verder doorgaan met het proberen contact tot stand te brengen, contraproductief kan zijn, doordat de klachten (al dan niet verergerd) dan terug kunnen komen. De toelichting hierop is overtuigend: [voornaam minderjarige] had EMDR-behandeling omdat in zijn beleving de vader te veel aandrong op contact. Het voortzetten van de ondertoezichtstelling met het oog op contactherstel tegen de wil van [voornaam minderjarige] schuurt daarmee. De kinderrechter vindt ook om die reden dat een verlenging van de ondertoezichtstelling niet passend. Dit geldt ook voor de door de vader gevraagde benoeming van een deskundige om te kijken waarom [voornaam minderjarige] geen contact met de vader wil en dat verzoek stuit daarom af op het belang van het kind (artikel 810a lid 2 Rv). Het betoog van de vader dat het slechts om een beperkt onderzoek gaat, en dat het erop neerkomt dat de GI en de moeder dit goed uitleggen aan [voornaam minderjarige] , overtuigt de kinderrechter niet. Feit is immers dat een dergelijk onderzoek erop neerkomt dat de kinderrechter voorbijgaat aan de bevindingen van de behandelaar van [voornaam minderjarige] en de herhaaldelijke en nadrukkelijke, ook tegenover de Raad geuite, wil van [voornaam minderjarige] dat contactherstel niet langer geprobeerd wordt.
5.13.
De slotsom is dat de kinderrechter het verlengingsverzoek en het verzoek om een deskundige te benoemen zal afwijzen. In het verlengde daarvan worden ook de overige verzoeken van de vader afgewezen. Daarbij wordt nog opgemerkt dat het verzoek van de vader om de GI te bevelen nader te rapporteren, geen verdere beoordeling behoeft omdat de GI de door de vader gestelde vragen op zitting heeft beantwoord.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
wijst alle verzoeken af.
Deze beschikking is gegeven door mr. N. Doorduijn, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026, in aanwezigheid van C.S. Montijn als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Op de positie van de vader als zelfstandig verzoeker wordt bij de beoordeling ingegaan.
2.Gelet op de hierna volgende beslissing dat de vader de verlenging van de ondertoezichtstelling kan vragen en hij daarvan gebruik heeft gemaakt, kan in het midden blijven of artikel 3 van Pro het IVRK en de artikelen 6 en 8 EVRM onder omstandigheden met zich kunnen brengen dat een verlengingsverzoek niet kan worden ingetrokken.
3.Vergelijk ECLI:NL:GHARL:2016:938, r.o. 5.9 (het ging in die zaak ook om een vader zonder gezag). Zie ook GS Personen- en familierecht, aantekening 8 op artikel 1:260 BW Pro en SDU Commentaar, de inleidende opmerking op artikel 1:260 BW Pro.
4.Een eerdere ondertoezichtstelling is eind 2023 afgelopen toen een verlengingsverzoek werd afgewezen. Naar aanleiding van een door de vader ingestelde hoger beroep is in 2024 door de Raad een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling ingediend dat op 10 oktober 2024 is toegewezen.