ECLI:NL:RBROT:2026:6414

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/5678
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 18 ParticipatiewetArt. 19a ParticipatiewetArt. 22a ParticipatiewetArt. 54 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en toepassing kostendelersnorm

Eiseres ontving sinds 2010 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Na een fraudemelding over het samenwonen met een kostendelende medebewoner, [persoon A], startte de gemeente Rotterdam een onderzoek. Uit verklaringen van eiseres en derden bleek dat [persoon A] sinds 2016 bij haar woonde, maar niet was ingeschreven vanwege de uitkering.

Het college herzag daarop de uitkering over de periode 1 oktober 2019 tot 30 juni 2024 en vorderde €17.578,46 terug wegens te veel ontvangen bijstand. Eiseres maakte bezwaar en stelde dat het college onvoldoende bewijs had geleverd en dat er sprake was van een crisissituatie die afstemming op grond van artikel 18 Pw Pro rechtvaardigde.

De rechtbank oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat [persoon A] zijn hoofdverblijf bij eiseres had, dat de kostendelersnorm terecht werd toegepast en dat eiseres de inlichtingenplicht had geschonden. De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde de terugvordering, omdat geen bijzondere omstandigheden waren die afstemming rechtvaardigden.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5678

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.J.C.R. Romet),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. A. Hielkema).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht de bijstandsuitkering heeft herzien en een bedrag van eiseres heeft teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de bijstandsuitkering van eiseres heeft herzien en het te veel aan bijstandsuitkering heeft teruggevorderd, omdat de kostendelersnorm van toepassing was. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Bij besluit van 15 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres herzien van 1 oktober 2019 tot en met 30 juni 2024. Daarnaast heeft het college een bedrag van € 17.578,46 teruggevorderd aan verleende bijstand (met uitzondering van november en december 2023). Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.1.
Met het besluit van 12 juni 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres handhaaft het college het standpunt van het primaire besluit. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres woonde aan de [adres] in [woonplaats 2] (uitkeringsadres) en ontvangt sinds 4 november 2010 een bijstandsuitkering naar de norm van alleenstaande op grond van de Participatiewet (Pw).
3.1.
Op 28 november 2023 ontvangt de gemeente Rotterdam een melding over mogelijke fraude. De melding is afkomstig van de ex-werkgever van [persoon A] en houdt in dat [persoon A] al jaren samenwoont met eiseres. [persoon A] zou ook aan zijn
ex-werkgever hebben verklaard dat hij niet ingeschreven staat op het adres van eiseres, vanwege de bijstandsuitkering die zij ontvangt.
3.2.
Naar aanleiding van de fraudemelding is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de uitkering van eiseres. Op 22 mei 2024 hebben twee sociaal rechercheurs van de gemeente gesproken met de ex-werkgever van [persoon A] . Ook hebben sociaal rechercheurs op 1 juli 2024 gesproken met eiseres zelf. Daarnaast heeft nader administratief onderzoek plaatsgevonden naar de inkomens- en vermogenspositie van eiseres en [persoon A] . De bevindingen van het onderzoek staan in het rapport van 9 oktober 2024.
3.3.
Op grond van de bevindingen in het rapport van 9 oktober 2024 heeft het college het primaire besluit genomen en de uitkering van eiseres over de periode van 1 oktober 2019 tot en met 30 juni 2024 herzien door de kostendelersnorm toe te passen. Het college vordert ook een bedrag van € 17.578,45 terug aan te veel betaalde bijstand.
3.4.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college handhaaft het standpunt dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat [persoon A] bij haar inwoonde. Dat [persoon A] bij eiseres heeft ingewoond, blijkt volgens het college uit de onderzoeksbevindingen van het rapport van 9 oktober 2024. Hieruit volgt dat eiseres zelf tegenover twee sociaal rechercheurs heeft verklaard dat [persoon A] sinds 2016 bij haar inwoont. Dit komt overeen met de verklaring van de ex-werkgever van [persoon A] , aldus het college. Het college is daarom gehouden de bijstandsuitkering te herzien en de ten onrechte verleende bijstand van € 17.578,46 terug te vorderen. Van dringende redenen om van de terugvordering af te zien is volgens het college geen sprake.

Regelgeving

4. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Hoofdverblijf op het uitkeringsadres
5. Eiseres voert aan dat het college onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangedragen om te kunnen concluderen dat [persoon A] zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 30 juni 2024. Daarbij heeft het college ten onrechte de duur van het verblijf als doorslaggevende factor aangemerkt. Verder bevat het verslag van het gesprek dat de sociaal rechercheurs met eiseres gehad hebben tegenstrijdigheden en heeft het college slechts twee waarnemingen gedaan op het uitkeringsadres. De bankafschriften die zijn opgevraagd om na te gaan of eiseres en [persoon A] bedragen naar elkaar hebben overgemaakt hebben betrekking op slechts één jaar. Het college heeft dus geen onderzoek gedaan naar de overige jaren. Uit het onderzoek van het college volgt niet hoe vaak [persoon A] bij eiseres sliep, of er sprake is geweest van een verblijf met tussenpozen of er spullen van hem lagen in de woning en of hij zijn post ontving op het uitkeringsadres.
5.1.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [persoon A] in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 30 juni 2024 (met uitzondering van de maanden november en december 2023) zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en hij daarom terecht als kostendelende medebewoner is aangemerkt. [1]
5.2.
Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft is van belang waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. [2] Een besluit tot herziening van een uitkering is voor eiseres een belastend besluit. Dit betekent dat het in de eerste plaats aan het college is om de nodige kennis te vergaren over de relevante feiten en omstandigheden die aan de herziening ten grondslag liggen.
5.3.
Op 1 juli 2024 hebben twee sociaal rechercheurs een gesprek gehad met eiseres in verband met het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering. Uit het gespreksverslag blijkt dat eiseres tegenover deze rechercheurs heeft verklaard dat [persoon A] sinds 2016 bij haar inwoont. Ook verklaart zij dat ze hem niet op straat kon laten leven en dat zij niets heeft doorgegeven aan het college omdat ze bang was om haar uitkering te verliezen. Dat eiseres in het gesprek eerst heeft verklaard dat [persoon A] twee á drie dagen bij haar verbleef en vervolgens heeft verklaard dat hij bij haar inwoont sinds 2016, is naar het oordeel van de rechtbank niet tegenstrijdig. Eiseres heeft haar aanvankelijke verklaring aangepast nadat de sociaal rechercheurs hebben doorgevraagd over het verblijf van [persoon A] in haar woning. Het verslag is op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekent door de sociaal rechercheurs en eiseres. Niet is gebleken van omstandigheden die de rechtbank doen twijfelen aan de in het verslag opgenomen verklaringen van eiseres. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de verklaringen uit het gespreksverslag van 1 juli 2024. [3] Bovendien is deze verklaring in lijn met wat de ex-werkgever heeft verklaard in de fraudemelding en in het gesprek met de sociaal rechercheurs. Uit het eveneens op ambtsbelofte opgemaakte verslag van dat gesprek blijkt dat [persoon A] aan de ex-werkgever heeft verteld dat hij bij eiseres woont op het uitkeringsadres. Hij staat daar alleen niet ingeschreven, omdat eiseres dit niet wil vanwege de gevolgen voor de uitkering en dit zou zo’n vijf jaar aan de gang zijn.
5.4.
De rechtbank is op basis van de feiten en omstandigheden die hiervoor vermeld worden, gezamenlijk en in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van [persoon A] in de beoordelingsperiode in de woning van eiseres bevond. Dat er geen ander soort onderzoek heeft plaatsgevonden zoals eiseres stelt, was naar het oordeel van de rechtbank ook niet noodzakelijk gelet op wat hiervoor is overwogen. De stelling van eiseres dat het college ten onrechte de duur van het verblijf van doorslaggevende factor heeft geacht kan de rechtbank, in het licht van het voorgaande, niet volgen. Niet is gebleken dat [persoon A] in de beoordelingsperiode ergens anders zijn hoofdverblijf heeft gehad, dan op het uitkeringsadres.
5.5.
Gelet op het voorgaande, heeft het college terecht [persoon A] als kostendelende medebewoner aangemerkt omdat hij zijn hoofdverblijf had bij eiseres. Dit betekent dat het college gehouden is eiseres bijstand toe te kennen naar de norm van kostendeler met één andere persoon. Het college heeft dus terecht de bijstandsuitkering van eiseres herzien.
5.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Schending inlichtingenplicht en terugvordering
6. Naar het oordeel van de rechtbank had eiseres het verblijf van [persoon A] moeten melden bij het college, omdat dit van belang is voor de vaststelling van het recht op een bijstandsuitkering. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden.
6.1.
Door de schending van de inlichtingenplicht, heeft eiseres een te hoog bedrag aan verleend bijstand ontvangen. Het college was op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw verplicht om het te veel aan verleende bijstand terug te vorderen over die betreffende periode.
Afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw
7. Eiseres heeft ook aangevoerd dat het college het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft geschonden door zich op het standpunt te stellen dat artikel 18, eerste lid, van de Pw is toegepast. Eiseres heeft pas in bezwaar een beroep gedaan op dit artikel zodat het college, nu het standpunt van het primaire besluit wordt gehandhaafd, zich niet op het standpunt kan stellen dat er rekening is gehouden met dat artikel. Ook heeft het college nagelaten om nader onderzoek te doen of artikel 18, eerste lid, van de Pw moet worden toegepast. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726). In het geval van eiseres was er sprake van een crisissituatie, waardoor eiseres genoodzaakt was om [persoon A] te helpen omdat hij anders op straat zou leven.
7.1.
Volgens vaste jurisprudentie is voor individuele afstemming zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Pw, in de vorm van een verlaging of een verhoging van de bijstand alleen plaats in zeer bijzondere situaties. [4] Het is aan degene die deze afstemming wenst om aannemelijk te maken dat er een zeer bijzondere situatie is, zoals hiervoor bedoeld.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht overwogen dat er geen redenen zijn om de bijstandsuitkering van eiseres af te stemmen. Gebleken is dat de [persoon A] jarenlang bij eiseres inwoonde waardoor niet meer gesproken kan worden van een tijdelijk verblijf zoals bij een crisissituatie. Daarnaast is het aan eiseres zelf te wijten dat zij geen melding heeft gemaakt van het verblijf van [persoon A] . Het college heeft de periode van herziening en terugvordering beperkt tot de maanden waarin [persoon A] inkomen heeft gehad, terwijl in beginsel daar geen rekening mee hoeft te worden gehouden bij het toepassen van de kostendelersnorm. Eiseres heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een zeer bijzondere situatie zoals bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Pw. Gelet op het voorgaande, was het college ook niet gehouden nader onderzoek te doen naar de door eiseres aangedragen omstandigheden.
7.3.
De verwijzing naar de eerder genoemde uitspraak van de Raad leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak gaat over dringende redenen om van terugvordering af te zien waarbij niet alleen moet worden gekeken naar de gevolgen van de terugvordering, maar ook naar de oorzaak daarvan. Dit betreft een ander juridisch kader dan de afstemming van de bijstandsuitkering die, zoals eerder overwogen, alleen plaatsvindt in zeer bijzondere situaties.
7.4.
De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. In beroep beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit van 12 juni 2025. In dat besluit heeft het college het primaire besluit volledig heroverwogen en voldoende gemotiveerd waarom hij geen redenen heeft gezien om de bijstandsuitkering op grond van artikel 18, eerste lid, van de Pw af te stemmen. De e-mail van het college van 18 april 2025 waarin staat dat reeds rekening is gehouden met de crisissituatie en coulant is omgegaan met de situatie van eiseres, doet daar niet aan af.
7.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de bijstandsuitkering van eiseres terecht heeft herzien en het te veel aan verleende bijstand heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt geen gelijk en daarom krijgt zij het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van A.R.M. Scheeres, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
De griffier is verhinderd om te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Artikel 17, eerste lid, eerste zin, van de Participatiewet bepaalt dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.
Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
Artikel 19a, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat onder kostendelende medebewoner wordt verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft (…)
Artikel 22a, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat, indien de belanghebbende van 21 jaar of ouder een of meer kostendelende medebewoners heeft, de kostendelersnorm van toepassing is.
Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet bepaalt dat het college een besluit tot toekenning van bijstand herziet, dan wel een besluit tot toekenning van bijstand intrekt, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat het college de kosten van bijstand terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen

Voetnoten

1.Artikel 19a, eerste lid en aanhef, van de Participatiewet.
2.Zie o.a. ECLI:NL:CRVB:2019:3185 en ECLLI:CRVB:2020:3372.