Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6889

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/2520 (verzoek) en ROT 25/9673 (hoofdzaak)
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ParticipatiewetArt. 6:19 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:86 Algemene wet bestuursrechtArt. 58 ParticipatiewetArt. 475b Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvullende bijstand wegens onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding

Eiseres en haar ex-partner stonden ingeschreven op hetzelfde adres en werden in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voor bijstand als gehuwd aangemerkt, wat leidt tot een onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding. Eiseres verzocht om aanvullende bijstand, maar het college wees dit af en vorderde een eerder toegekend voorschot terug.

Eiseres voerde aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en dat de terugvordering in strijd was met het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding niet door eiseres kon worden weerlegd en dat het evenredigheidsbeginsel niet toepasbaar is op dwingende wettelijke bepalingen.

De rechtbank stelde vast dat het college terecht de aanvraag afwees en het voorschot terugvorderde, omdat eiseres geen dringende redenen aannemelijk had gemaakt om van terugvordering af te zien. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van aanvullende bijstand wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/2520 (verzoek) en ROT 25/9673 (hoofdzaak)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college,

(gemachtigden: mr. S. El Kadouri en mr. A. Zonneveld).

Procesverloop

1.1.
Met het besluit van 21 mei 2025 heeft het college de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen. Met het besluit van 21 mei 2025 (het primaire besluit I) heeft het college het aan eiseres toegekende voorschot van € 482,13 teruggevorderd. Eiseres heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het besluit van 12 augustus 2025 (het primaire besluit II) heeft het college de aanvraag van 31 maart 2025 opnieuw in behandeling genomen en deze aanvraag wederom afgewezen. Ook heeft het college aangegeven dat de al ingediende bezwaren op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.
1.3.
Met het besluit van 15 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigden van het college.
1.5
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen. Artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Vanaf 16 maart 2022 staat eiseres met het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] ingeschreven in de basisregistratie personen (brp). [persoon A] staat sinds 28 maart 2022 op hetzelfde adres ingeschreven. In het verleden is de aanvraag van eiseres om een Bbz-uitkering als alleenstaande afgewezen omdat tijdens een eerdere aanvraag is vastgesteld dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding met [persoon A] . Eiseres stelt dat [persoon A] sinds juni 2024 haar ex-partner is en dat zij enkel nog huisgenoten zijn. Zij ontvangt vanaf maart 2025 een uitkering op grond van de Ziektewet (Zw). Op 31 maart 2025 heeft eiseres in aanvulling op haar Zw-uitkering om bijstand verzocht.
3. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraag om aanvullende bijstand moet worden afgewezen omdat eiseres en haar
ex-partner in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voor de verlening van bijstand als gehuwd zijn aangemerkt en zij beiden hun hoofverblijf op hetzelfde adres hebben. Dit maakt dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding (zie artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Pw). Eiseres heeft dus niet zelfstandig recht op bijstand.
4. Eiseres heeft aan haar verzoek om een voorlopige voorziening – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Het college heeft ten onrechte een gemeenschappelijke huishouding aangenomen. Er is geen sprake van wederzijdse zorg. De financiële ondersteuning heeft uitsluitend plaatsgevonden in de vorm van incidentele leningen in een periode waarin eiseres zich in een acute financiële noodsituatie bevond. De afwijzing is volgens eiseres in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Nu de afwijzing niet in stand kan blijven, ontvalt ook de grondslag aan de terugvordering van het voorschot € 482,13. De terugvordering is volgens eiseres in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
5.1.
De in deze zaak te beoordelen periode loopt van 31 maart 2025 (de datum de bijstandsaanvraag) tot en met 12 augustus 2025 (de datum van het primaire besluit).
5.2.
Volgens artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Pw is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding indien de betrokkenen het feitelijke hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag met elkaar gehuwd zijn geweest of voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.
5.3.
Niet in geschil is dat eiseres en haar ex-partner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en dat zij twee jaar voorafgaand aan de aanvraag (zie besluit toekenning van Bbz-uitkering van 29 september 2023) voor de verlening van bijstand zijn aangemerkt of konden worden aangemerkt als gehuwden. Dit maakt dat er sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijk huishouding. Of wel of niet sprake is van wederzijdse zorg tussen eiseres en haar ex-partner speelt hierbij daarom geen rol. Ook de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid (de psychische klachten), de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1384).
5.4.
Het beroep van eiseres op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772. In die uitspraak (in r.o. 9.5. en 9.6.) heeft de Afdeling ten eerste geoordeeld dat de toepassing van een dwingend geformuleerde wettelijke bepaling niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.
artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Pw, waarin in eiseres geval toepassing is gegeven, is dwingend geformuleerd. Dit betekent dat de toepassing van dit artikel dus ook niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Er bestaat voor het college dan ook geen ruimte om bij de toepassing van dit artikel de belangen af te wegen.
5.5.
Het college heeft zich dus op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht heeft op bijstand in de te beoordelen periode. Gelet hierop heeft het college de aanvraag om bijstand kunnen afwijzen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.1.
Volgens artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de Pw kan het college bijstand terugvorderen als dit bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.
6.2.
Zoals overwogen heeft het college de aanvraag om bijstand kunnen afwijzen. Daarom is het college bevoegd om het toegekende voorschot terug te vorderen. Het betoog van eiseres dat de grondslag aan de terugvordering van het voorschot is komen te ontvallen stuit hier reeds op af.
6.3.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:487) kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor een betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen aannemelijk moeten maken.
6.4.
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met door het college te dienen doelen. Haar psychische problemen zijn niet het gevolg van de terugvordering en niet is gebleken dat de toestand door de terugvordering zal verslechteren. Voor wat betreft de gestelde financiële situatie is het van belang dat de financiële gevolgen van een terugvordering zich in het algemeen pas voordoen als daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij wordt eiseres beschermd door de regels over de beslagvrije voet in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.
6.5.
Het college heeft zich dus op goede gronden op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om van terugvordering af te zien. Gelet hierop heeft het college het toegekende voorschot kunnen terugvorderen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat het college eiseres geen aanvullende bijstand hoeft te betalen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.