Appellant ontving bijstand vanaf februari 2017 en verrichtte in de periode maart tot november 2018 gokactiviteiten waaruit hij inkomsten had. Deze inkomsten meldde hij niet aan het college, waardoor hij de inlichtingenverplichting schond. Het college trok de bijstand in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug, tezamen met een boete.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat psychische problemen en verslavingsproblematiek dringende redenen vormden om van terugvordering en boete af te zien. De Raad oordeelde echter dat deze problemen niet het gevolg waren van de terugvordering en dat niet aannemelijk was gemaakt dat de situatie daardoor zou verslechteren. De financiële gevolgen van terugvordering treden bovendien pas op bij daadwerkelijke invordering, waarbij beslagvrije voet bescherming biedt.
De boete werd opgelegd op grond van de schending van de inlichtingenplicht. Het college ging terecht uit van verminderde verwijtbaarheid vanwege de psychische problematiek, maar er waren geen dringende redenen om af te zien van de boete. De Raad achtte de boete van €615,33 evenredig en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland.