Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7010

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/1195
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:10 AwbArt. 6 EVRMArt. 2.1 WhtArt. 2.2 WhtArt. 2.3 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag jaren 2011 en 2015-2019 op grond van Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin compensatie voor de kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 en 2015 tot en met 2019 werd afgewezen. De Dienst Toeslagen had compensatie toegekend voor 2012 tot en met 2014 wegens vooringenomenheid, maar niet voor de overige jaren. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van vooringenomenheid voor de jaren 2011 en 2015-2019. Voor 2011 was de toeslag pas toegekend na de geboorte van het eerste kind, en voor 2015-2019 waren de stopzettingen gebaseerd op door eiseres of haar vertegenwoordigers doorgegeven wijzigingen, zonder aanwijzingen dat deze niet overeenkwamen met de feitelijke opvangsituatie.

Eiseres stelde dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie toekende vanwege vermeende onjuiste stopzettingen en dat verrekeningen in latere jaren buiten beschouwing waren gelaten. De rechtbank stelt dat verrekeningen niet leiden tot compensatie in die jaren en dat de hardheidsclausule van de Wht niet van toepassing is omdat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat toepassing van de Wht tot onbillijkheid van overwegende aard leidt.

Daarnaast heeft eiseres recht op een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Dienst Toeslagen. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van deze schadevergoeding en tot vergoeding van proceskosten van €467. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand, met een schadevergoeding van €1.500 wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1195

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van den Ende),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar verzoek om compensatie van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2011 en 2015 tot en met 2019 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar verzoek. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht tot de conclusie is gekomen dat er geen grond bestaat voor compensatie over de jaren 2011 en 2015 tot en met 2019. Het beroep is dan ook ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met een besluit van 14 december 2022 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2012, 2013 en 2014 toegewezen. Met hetzelfde besluit heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2011 en 2015 tot en met 2019 afgewezen.
2.1.
Met een besluit van 31 december 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gegrond verklaard en de hoogte van de compensatie gewijzigd. De Dienst Toeslagen is bij de afwijzing van de aanvraag voor de jaren 2011 en 2015 tot en met 2019 gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft op 12 februari 2026 aanvullende gronden ingediend. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft twee kinderen, geboren op 19 juli 2011 en 26 maart 2017. Ze heeft op 25 januari 2021 een aanvraag gedaan voor compensatie op grond van de Wht.
3.1.
Met het primaire besluit heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2011 tot en met 2019 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres in aanmerking komt voor compensatie voor de jaren 2012, 2013 en 2014 ter hoogte van € 28.753,- wegens vooringenomenheid. Voor de toeslagjaren 2011 en 2015 tot en met 2019 zijn volgens de Dienst Toeslagen geen aanwijzingen gevonden voor vooringenomen handelen, zodat de Dienst Toeslagen de compensatie over die jaren heeft afgewezen. Over het jaar 2011 zijn immers geen terugvorderingen geweest en voor de jaren 2015 tot en met 2019 geldt dat de neerwaartse correcties het gevolg zijn geweest van wijzigingen die eiseres zelf heeft doorgegeven.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond verklaard en het compensatiebedrag voor de jaren 2012, 2013 en 2014 verhoogd tot een bedrag van € 31.301,-. Voor het overige zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en is de Dienst Toeslagen bij het primaire besluit gebleven.
Heeft de Dienst Toeslagen terecht geweigerd om aan eiseres compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid?
4. Eiseres voert aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft toegekend voor de toeslagjaren 2011, 2015 en 2016 op de grond dat geen sprake is van vooringenomenheid. Voor het toeslagjaar 2011 is de kinderopvangtoeslag pas per 16 september 2011 toegekend, terwijl eiseres kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd per 1 januari 2011. Ook heeft de Dienst Toeslagen haar bezwaar tegen de toekenning over 2011 niet inhoudelijk behandeld. Voor de toeslagjaren 2015 en 2016 betwist eiseres dat zij de stopzetting van de kinderopvangtoeslag per 27 juni 2015 en per 20 november 2016 zelf heeft doorgegeven. De stopzettingen komen niet overeen met de feitelijke opvangsituatie. Immers, in de periode van de stopzettingen volgde eiseres onafgebroken diverse opleidingen en daarom had zij opvang nodig. De Dienst Toeslagen had zich niet mogen baseren op de XML-bestanden. Uit die bestanden volgt immers niet dat eiseres de wijzigingen zelf heeft doorgegeven. De XML-bestanden bevatten namelijk niet haar DigiD-ondertekening. De Dienst Toeslagen heeft dus vooringenomen gehandeld door de kinderopvangtoeslag van haar terug te vorderen zonder nader onderzoek te doen naar de reden van de stopzettingen.
Toeslagjaar 2011
4.1.
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de kinderopvangtoeslag al per 1 januari 2011 heeft aangevraagd. Dat ligt ook niet voor de hand. Het eerste kind van eiseres is namelijk pas geboren op 19 juli 2011. Omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd vanaf een datum vóór 16 september 2011, was de toekenning van de kinderopvangtoeslag per 16 september 2011 niet vooringenomen. De Dienst Toeslagen is terecht tot die conclusie gekomen. Dat de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2011 niet inhoudelijk heeft behandeld, leidt evenmin tot vooringenomenheid. Het zonder toestemming van de bezwaarmaker niet als zodanig behandelen van een bezwaarschrift is in strijd met artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. In de omstandigheden van het geval kunnen echter geen aanknopingspunten worden gevonden voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen hiermee vooringenomen heeft gehandeld. Deze procedure is niet bedoeld om fouten te herstellen die bij de besluitvorming, waaronder het behandelen van bezwaarschriften, zijn gemaakt. [1]
Toeslagjaren 2015 en 2016
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen terecht heeft geconcludeerd dat over 2015 en 2016 geen sprake is van vooringenomenheid. In het verweerschrift heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat als een wijziging door een ambtenaar van de Dienst Toeslagen wordt doorgevoerd, in het betreffende XML-bestand een username van de betreffende ambtenaar wordt weergegeven. De Dienst Toeslagen heeft gesteld dat de XML-bestanden van de stopzettingen in 2015 en 2016 geen username van een ambtenaar van de Dienst Toeslagen bevatten. Daaruit blijkt, volgens de Dienst Toeslagen, dat de wijzigingen niet zijn doorgevoerd door de Dienst Toeslagen. Eiseres heeft dit niet weersproken. Als de Dienst Toeslagen de wijzigingen niet zelf heeft doorgevoerd, moet eiseres zelf of iemand namens haar (bijvoorbeeld de kinderopvanginstelling) de wijzigingen hebben doorgegeven. Voor zover de wijzigingen al door iemand anders zijn doorgegeven, levert dat op zichzelf geen vooringenomenheid op. Dat zou anders kunnen zijn als de doorgegeven wijzigingen niet overeenkwamen met de feitelijke opvangsituatie en de Dienst Toeslagen in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de doorgegeven wijzigingen. Dat de doorgegeven wijzigingen niet overeenkwamen met de feitelijke opvangsituatie, is niet gebleken. De stelling van eiseres dat zij in onder meer de jaren 2015 en 2016 vanwege haar opleiding onafgebroken opvang nodig had, strookt niet met de gegevens in het dossier. Immers, de plaatsingsovereenkomst die eiseres ten behoeve van haar oudste kind had gesloten met de kinderopvanginstelling over het jaar 2015 liep van 5 januari 2015 tot en met 18 juli 2015. De einddatum van de plaatsingsovereenkomst wijkt slechts in geringe mate af van de ingangsdatum van de stopzetting, te weten 27 juni 2015. Dat het oudste kind van eiseres in de tweede helft van 2015 ook opvang heeft genoten, blijkt niet uit het dossier. Voor zover de wijzigingen al niet overeenkwamen met de feitelijke opvangsituatie, is niet gebleken dat de Dienst Toeslagen redenen had om te twijfelen aan de juistheid van de doorgegeven wijzigingen.
Heeft eiseres recht op compensatie vanwege verrekende toeslagen?
5. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte de verrekeningen die hebben plaatsgevonden in 2015 tot en met 2019, buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling van haar aanvraag. De Dienst Toeslagen heeft destijds geen rekening gehouden met de beslagvrije voet, maar had dat in het kader van het evenredigheidsbeginsel wel moeten doen. Daardoor kwam de bestaanszekerheid van eiseres in het gedrang. Eiseres maakt aanspraak op compensatie vanwege hardheid van het wettelijke systeem. [2] Daarnaast doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1.1.
Voor toeslagjaren ten aanzien waarvan eiser niet als gedupeerde is aangemerkt, maar waarin wel verrekening is toegepast, kan de verrekening op zichzelf niet tot compensatie voor dat toeslagjaar leiden. De hoogte van de compensatie is namelijk gekoppeld aan het bedrag dat niet is toegekend of teruggevorderd vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van kinderopvangtoeslag. [3] Als in een toeslagjaar alleen verrekening is toegepast van een eerder ontstane toeslagschuld, is in dat jaar geen sprake van een dergelijke beschikking. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daarom uit het systeem van de Wht en uit de wetsgeschiedenis [4] dat het compensatiebedrag, waarvan de hoogte dwingendrechtelijk en forfaitair wordt bepaald op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht, ook geacht moet worden betrekking te hebben op eventuele schade door verrekening van toeslagschulden in latere toeslagjaren. Het enkele feit dat in een bepaald toeslagjaar verrekening is toegepast, kan niet tot compensatie voor dat toeslagjaar leiden. [5] Eiseres maakt dus geen aanspraak op compensatie voor de jaren 2015 tot en met 2019 wegens hardheid van het wettelijke systeem. [6]
6. Het beroep van eiseres op artikel 9.1 van de Wht slaagt evenmin. Deze bepaling vindt slechts toepassing indien toepassing van een bepaling uit de Wht gelet op het doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de gedupeerde ouder. De omstandigheid dat eiseres financiële moeilijkheden heeft ondervonden door de verrekeningen is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een dergelijke onbillijkheid. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd waarom de toepassing van de Wht in haar geval disproportioneel hard zou zijn. Daarnaast is onduidelijk van welke Wht-bepaling volgens eiseres afgeweken had moeten worden door de Dienst Toeslagen.
Verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
7. Eiseres heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan. Als de redelijke termijn is overschreden, geldt voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
9. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 12 januari 2023 tot aan de datum van deze uitspraak van 29 mei 2026 is afgerond drie jaar en vijf maanden verstreken. Er is in dit geval geen sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijn moet worden verlengd. De redelijke termijn is dus met zeventien maanden overschreden. Eiseres heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500,-.
10. De Dienst Toeslagen heeft op 31 december 2024 beslist op het bezwaar van eiseres. Dit is afgerond twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift en dus achttien maanden te laat. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig toe te rekenen aan de Dienst Toeslagen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het door haar betaalde griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
12. De schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn bedraagt € 1.500,-.
13. Eiseres heeft recht op een vergoeding van haar proceskosten in verband met dit verzoek. Die kosten bedragen € 467,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- met een wegingsfactor van 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres van € 1.500,-;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1961.
2.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht.
3.Artikel 2.2, aanhef en onder a, en artikel 2.3, eerste lid, van de Wht.
5.Zie de uitspraak van deze rechtbank van 27 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1081.
6.Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 26 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:2489.