ECLI:NL:RBROT:2026:7053

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/5932
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.7 Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024Art. 2.3 Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024Art. 2.5 Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024Art. 6:22 Algemene wet bestuursrechtArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring doorstroming vanuit opvanginstellingen Rotterdam

Eiseres heeft op 20 februari 2025 een urgentieverklaring aangevraagd op grond van doorstroming vanuit opvanginstellingen, maar het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze af omdat zij niet direct voorafgaand aan haar resocialisatietraject woonachtig was in Rotterdam. Eiseres was ingeschreven in Dordrecht en verbleef daarna op verschillende briefadressen in Rotterdam, maar had geen aansluitend woonverleden in de regio.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.7 van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat terugkeer naar Dordrecht onmogelijk is, ondanks haar psychische problematiek en netwerk in Rotterdam. Het college was ook niet verplicht een medisch onderzoek te laten verrichten.

De rechtbank overweegt dat de hardheidsclausule niet van toepassing is omdat de situatie van eiseres niet leidt tot een schrijnende situatie zoals bedoeld in de Verordening. Ook is het beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro verworpen, waarbij het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5932

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

(gemachtigde: mr. S. Ercan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot afgifte van een urgentieverklaring. Eiseres is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het college. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft op 20 februari 2025 een urgentieverklaring aangevraagd op basis van de urgentiegrond ‘doorstroming vanuit opvanginstellingen’.
2.2.
Bij besluit van 8 april 2025 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag afgewezen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.3.
Bij besluit van 2 juli 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Eiseres heeft aanvullende stukken overgelegd, te weten een e-mail van haar
(ex-)werkgever en de conclusie van een onderzoek van een klinisch psycholoog.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door [naam ] van Stichting Prokino en de heer P. Oronsaye als tolk Engels, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. De aanvraag van eiseres is gedaan op grond van artikel 5.7 van bijlage I bij de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (hierna: de Verordening). Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres volgens het college direct voorafgaand aan haar resocialisatietraject niet woonachtig was binnen de gemeente Rotterdam. Eiseres heeft daarom geen aansluitend woonverleden in de regio als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid onder c, van bijlage I bij de Verordening. Op grond van artikel 5.7, tweede lid, van bijlage I bij de Verordening kan een aanvrager met een aansluitend woonverleden in een gemeente buiten de regio onder bepaalde voorwaarden ook voor een urgentieverklaring in aanmerking komen. Volgens het college is echter niet gebleken dat terugkeer naar de desbetreffende gemeente buiten de regio (de gemeente Dordrecht) niet mogelijk is. Daarmee voldoet eiseres niet aan deze voorwaarde. Tot slot heeft het college geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule van artikel 2.5 van bijlage I bij de Verordening toe te passen. Het college heeft daarom de aanvraag afgewezen, welk besluit met het bestreden besluit is gehandhaafd.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Aansluitend woonverleden
5.1.
Eiseres betoogt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij geen aansluitend woonverleden in de regio heeft. Het college heeft hiervoor een te beperkte benadering gebruikt. Het college heeft namelijk niet bezien of eiseres economische en/of maatschappelijke binding met de regio Rijnmond heeft zoals bedoeld in artikel 2.3, tweede lid onder h, van bijlage I bij de Verordening. Hoewel het klopt dat eiseres van 1 april 2023 tot en met 1 augustus 2023 in Dordrecht ingeschreven stond, heeft zij hier slechts één maand verbleven. Daarna verbleef zij feitelijk in Rotterdam. Dit blijkt ook uit het ondersteuningsverslag van de gemeente Rotterdam van 25 maart 2025.
5.2.
In artikel 2.3, tweede lid, van bijlage I bij de Verordening worden de omstandigheden opgesomd op basis waarvan het college een urgentieverklaring kan weigeren. Het college heeft de afwijzing van de aanvraag van eiseres echter gebaseerd op artikel 2.3, derde lid, van bijlage I bij de Verordening. Daarin staat dat het college weigert een urgentieverklaring te verstrekken indien geen van de in artikel 5.1 tot en met 5.8 van deze bijlage genoemde urgentiegronden zich voordoet. Eiseres heeft verzocht om urgentie op grond van artikel 5.7 van bijlage I bij de Verordening, dat betreft de urgentiegrond ‘doorstroming vanuit opvanginstellingen’. Het college heeft dan ook kunnen volstaan met de toets of in het geval van eiseres sprake was van die urgentiegrond en was dus niet gehouden na te gaan of eiseres wel of geen economische en/of maatschappelijke binding met de regio Rijnmond heeft zoals bedoeld in artikel 2.3, tweede lid onder h, van bijlage I bij de Verordening.
5.3.
Artikel 5.7 van bijlage I bij de Verordening stelt als voorwaarde voor een urgentieverklaring voor de regio Rotterdam in geval van uitstroom uit een opvangvoorziening in de regio Rotterdam dat de uitstromer zijn of haar laatste feitelijk (zelfstandig) woonadres had in de regio Rotterdam. De ratio hiervan is dat veel daklozen uit omliggende gemeenten naar Rotterdam gaan en daar worden opgevangen; om de woningvoorziening voor deze mensen na uitstroom uit de opvang eerlijk te verdelen, is de afspraak gemaakt dat de herkomstgemeenten het woningaanbod verzorgen. [1]
5.4.
De rechtbank stelt vast dat eiseres van 1 april 2023 tot en met 1 augustus 2023 in Dordrecht ingeschreven stond. Zij stond in de periode van 2 augustus 2023 tot 30 april 2024 nergens ingeschreven. Van 30 april 2024 tot 18 juli 2024 stond eiseres vervolgens ingeschreven op verschillende briefadressen in Rotterdam en met ingang van 18 juli 2024 heeft zij een briefadres bij de opvang van Stichting Prokino in Rotterdam. De rechtbank constateert daarbij dat eiseres zelf op het aanvraagformulier heeft aangegeven dat zij vlak voordat het hulpverleningstraject startte niet in de regio Rotterdam woonde, maar in Dordrecht. Tijdens de zitting heeft eiseres nog toegelicht dat zij na haar vertrek uit Dordrecht op verschillende adressen in Rotterdam heeft verbleven en dat dat telkens een (kort) verblijf binnen haar netwerk betrof. Onder die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres haar laatste feitelijk (zelfstandig) woonadres in Dordrecht was, zodat de dakloosheid van eiseres daar is ontstaan en zij daar hulp had moeten zoeken. Het college heeft dan ook terecht geconcludeerd dat eiseres geen aansluitend woonverleden in Rotterdam heeft.
Contra-indicatie(s)
6.1.
Eiseres voert verder aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.7, tweede lid, van bijlage I bij de Verordening. Anders dan het college heeft geconcludeerd is het voor eiseres namelijk onmogelijk om terug te keren naar Dordrecht. Eiseres is immers in Rotterdam onder behandeling voor haar psychische problematiek. Bovendien bevindt het netwerk en het budgetbeheer van eiseres zich in Rotterdam. Een verhuizing naar Dordrecht zou betekenen dat deze behandeling en begeleiding en dit budgetbeheer zouden stoppen. Verder is het zo dat de ex-partner van eiseres, met wie zij een belaste voorgeschiedenis heeft, in Dordrecht woont. Tot slot voert eiseres aan dat het college een medisch onderzoek had moeten laten verrichten naar de vraag of het voor eiseres medisch verantwoord is om terug te keren naar Dordrecht.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar behandeling, begeleiding en budgetbeheer zullen stoppen als zij naar Dordrecht moet verhuizen. Deze stelling is namelijk niet onderbouwd met stukken. Uit het ondersteuningsverslag van 2 oktober 2025 blijkt bovendien dat eiseres ook een urgentieverklaring heeft aangevraagd bij de gemeente Dordrecht en dat eiseres bij een eventuele verhuizing naar die gemeente ook ondersteund zal worden. Verder valt niet in te zien waarom eiseres niet in Dordrecht zou kunnen wonen en naar Rotterdam zou kunnen reizen voor afspraken of het bezoeken van haar netwerk. Ook is niet gebleken dat het in Dordrecht onveilig zou zijn voor eiseres vanwege de aanwezigheid van haar ex-partner. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het voor eiseres onmogelijk is om terug te keren naar Dordrecht. Het college was, in het licht van het voorgaande, ook niet gehouden om een medisch onderzoek te laten verrichten naar de vraag of het voor eiseres medisch verantwoord is om terug te keren naar Dordrecht. De voor het besluit relevante feiten en omstandigheden blijken immers voldoende uit de stukken. De rechtbank merkt nog op dat ook de tijdens de zitting door eiseres naar voren gebrachte stelling dat de urgentieverklaring bij de gemeente Dordrecht geen kans van slagen zou hebben, het oordeel over het niet voldoen aan de voorwaarden voor urgentie niet anders maakt.
Hardheidsclausule
7.1.
Volgens eiseres had het college in haar geval de hardheidsclausule moeten toepassen. Zij bevindt zich in een schrijnende situatie. Zij is een alleenstaande moeder met een jong kind en zij heeft bovendien last van ernstige psychische problematiek (depressie, OCD en traumaklachten). Eiseres heeft ook geen familie in Nederland die haar kan ondersteunen. Bij het vaststellen van de Verordening is volgens eiseres ook geen rekening gehouden met de situatie waarin iemand op de ene plek ingeschreven staat en feitelijk op een andere plek verblijft waar inschrijving niet mogelijk is en vervolgens een hulpverleningstraject wordt gestart. Het zou daarom in strijd zijn met het doel van de Verordening – het bieden van hulp aan woningzoekenden met een dringende behoefte aan woonruimte – als eiseres zou worden verwezen naar de gemeente Dordrecht terwijl zij binding heeft met Rotterdam en haar traject daar de grootste kans van slagen heeft.
7.2.
De rechtbank begrijpt dat het college terughoudend gebruik maakt van de hardheidsclausule, vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen en de (jaren)lange wachttijden voor woningzoekenden die daarop zijn aangewezen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres zich gelet op de genoemde omstandigheden weliswaar in een lastige situatie bevindt, toch leidt de weigering van de urgentieverklaring niet tot een schrijnende situatie zoals bedoeld in de Verordening. Het feit dat eiseres moet reizen voor haar behandeling, werk en budgetbeheer is niet zodanig bijzonder dat dit het toekennen van de urgentieverklaring ten koste van anderen in een moeilijke woonsituatie rechtvaardigt. Daar komt bij dat eiseres nu ook twee keer in de week naar Dordrecht reist om haar dochter naar school te brengen. Het is dan ook niet gebleken dat eiseres specifiek is aangewezen op een woning in Rotterdam. Ook is verder niet gebleken van bijzondere, bij het vaststellen van de Verordening onvoorziene, omstandigheden op basis waarvan de urgentieverklaring redelijkerwijs toch had moeten worden verleend. Het college was dan ook niet gehouden om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
Artikel 8 van Pro het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM)
8.1.
In beroep heeft eiseres zich nog op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Op grond van dit artikel heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn privé-, familie- en gezinsleven. Dit recht omvat mede het recht op een stabiele woonsituatie als basis voor een menswaardig bestaan. De weigering van een urgentieverklaring vormt een inbreuk op dit recht welke inbreuk gelet op de ernst van de situatie van eiseres niet gerechtvaardigd is. Eiseres moet immers voor onbepaalde tijd in de maatschappelijke opvang verblijven met haar jonge dochter, met alle negatieve gevolgen van dien voor hun psychische gezondheid.
8.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit rechtspraak van het EHRM volgt dat artikel 8 van Pro het EVRM geen woonruimte garandeert. [2] De rechtbank overweegt verder dat dit artikel ertoe strekt het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privé-, familie- of gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. In dat verband moet in zaken als deze worden beoordeeld of in het besluit om een urgentieaanvraag af te wijzen een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van het individu en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling. Het college heeft opgemerkt dat binnen de regio Rijnmond sprake is van een zeer krappe sociale huurwoning-markt. Daar komt bij dat hiervoor al is vastgesteld dat eiseres niet specifiek aangewezen is op een woning in deze regio. Ook heeft haar dochter hoofdverblijf bij haar vader en gaat zij naar school in Dordrecht. Onder deze omstandigheden heeft het college het belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiseres om op de door haar gewenste wijze vorm te geven aan haar privé-, familie- en gezinsleven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.
Artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK)
9.1
Volgens eiseres is ook sprake van strijd met artikel 3 van Pro het IVRK. Op grond van dit artikel dienen bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind een eerste overweging te vormen. In het bestreden besluit is hier echter geen blijk van gegeven.
9.2
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de bestuursrechter dient te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en daarmee bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. [3] De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden niet blijkt dat rekening gehouden is met de belangen van de dochter van eiseres, laat staan dat deze belangen een eerste overweging hebben gevormd. Het college heeft dit tijdens de zitting ook erkend. In het verweerschrift heeft het college het bestreden besluit op dit punt nog wel nader toegelicht. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de dochter van eiseres daarbij alsnog deugdelijk in de besluitvorming zijn betrokken. Het college heeft hiermee dan ook het motiveringsgebrek in het bestreden besluit hersteld. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat aannemelijk is dat eiseres daardoor niet is benadeeld.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Wel moet het college het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden en de door haar gemaakte proceskosten betalen, omdat de rechtbank toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Awb. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • draagt het college op het voor het beroep betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A. van Duijn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
De griffier en de rechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:5599, welke is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) met de uitspraak van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1148.
2.Zie het arrest van het EHRM van 18 januari 2001, Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2001:0118JUD002723895, meer specifiek overweging 99.
3.Zie bv. de uitspraken van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:361, meer specifiek r.o. 4.2, en van 17 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:328, meer specifiek r.o. 6.1.