Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
Samenvatting
.
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft meerdere malen een aanvraag ingediend voor toelating tot maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015, welke door het college is afgewezen wegens zelfredzaamheid. Verzoeker woont met zijn partner en minderjarige dochter en verkeert sinds maart 2026 feitelijk in een situatie van dakloosheid, waarbij tijdelijke opvang via het Rode Kruis en een tuinhuisje werd geregeld.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker zelfredzaam is omdat hij in staat is om met behulp van zijn sociale netwerk en eigen inkomen tijdelijke huisvesting te regelen. Er zijn geen bijkomende hulpvragen op andere leefgebieden vastgesteld en er zijn geen zorgen over het welzijn of de opvoeding van het kind. De krapte op de woningmarkt vormt geen grond voor maatschappelijke opvang.
Hoewel verzoeker en zijn gezin in een lastige situatie verkeren, is er geen sprake van bijzondere omstandigheden die een positieve verplichting tot opvang op grond van artikel 8 EVRM Pro opleveren. Het college heeft voldoende rekening gehouden met de belangen van het minderjarige kind en alternatieve huisvestingsmogelijkheden zijn beschikbaar.
De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens zelfredzaamheid van verzoeker.