ECLI:NL:RBROT:2026:7204

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/8926
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:59 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering te veel betaalde Wajong-uitkering door UWV bevestigd ondanks motiveringsgebrek

Eiser ontving een Wajong-uitkering die vanwege inkomsten uit werk als zelfstandige in de vorm van een voorschot werd verstrekt. Het UWV stelde vast dat eiser over de periode van 16 januari 2023 tot en met 31 december 2023 een bedrag van €18.384,82 bruto te veel had ontvangen en vorderde dit terug. Eiser voerde aan dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, onder meer vanwege persoonlijke omstandigheden zoals het overlijden van zijn partner, medische klachten en schulden.

De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht tot terugvordering is overgegaan omdat eiser zijn meldingsplicht niet was nagekomen en de Belastingdienst de gegevens pas later doorgeeft. De persoonlijke omstandigheden van eiser waren onvoldoende aannemelijk gemaakt om terugvordering te voorkomen. Wel constateerde de rechtbank een motiveringsgebrek in het bestreden besluit omdat het UWV niet alle relevante belangenafwegingen schriftelijk had toegelicht.

Dit motiveringsgebrek werd echter gepasseerd omdat het UWV ter zitting alsnog een belangenafweging maakte en aannemelijk was dat eiser hierdoor niet werd benadeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard, het besluit bleef in stand. Het UWV werd wel veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser, berekend op €1.868,- voor rechtsbijstand.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van te veel betaalde Wajong-uitkering wordt ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand, met vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8926

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. S. van der Eijk)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een terugvordering van te veel ontvangen uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Wel krijgt eiser een vergoeding van de gemaakte proceskosten en het griffierecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 12 maart 2025 heeft het UWV bepaald dat eiser een bedrag van € 18.384,82 bruto aan te veel betaalde Wajong-uitkering moet terugbetalen. Met het bestreden besluit van 26 september 2025 is het UWV bij dat besluit gebleven. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
2.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat het om in deze zaak?

3. Eiser ontving een Wajong-uitkering. Omdat hij naast zijn Wajong-uitkering inkomsten uit werk had, ontving hij de Wajong-uitkering in de vorm van een voorschot. Het UWV heeft met het primaire besluit, dat in het bestreden besluit in stand is gebleven, eisers recht op Wajong-uitkering over de periode van 16 januari 2023 tot en met 31 december 2023 definitief berekend en bepaald dat eiser in totaal € 18.384,82 bruto te veel heeft ontvangen. Dit bedrag moet eiser terugbetalen aan het UWV. Eiser is het hier niet mee eens en voert in beroep aan dat het UWV wegens dringende redenen van de terugvordering had moeten afzien.
Beoordeling door de rechtbank
4. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van te veel ontvangen Wajong-uitkering vanwege inkomsten uit werk. Wat partijen verdeeld houdt, is of sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. [1]
5. De rechtbank is van oordeel dat het UWV geen aanleiding heeft hoeven zien om op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het UWV heeft bij de oorzaak en bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende meegewogen. Over de oorzaak heeft het UWV toegelicht dat eiser verplicht is zijn inkomsten als zelfstandige aan het UWV te melden en dat het UWV eiser met de brieven van 19 juni 2019 en 1 augustus 2022 heeft gewezen op zijn verplichting om wijzigingen in zijn situatie aan het UWV door te geven. Gelet op deze brieven was eiser van deze verplichting op de hoogte en had het op zijn weg gelegen om tijdig zijn inkomsten als zelfstandige aan het UWV door te geven. Dat eisers inkomsten als zelfstandige bij de Belastingdienst bekend waren, ontslaat eiser niet van zijn verplichting om deze inkomsten te melden aan het UWV. Bovendien heeft het UWV ter zitting toegelicht dat de Belastingdienst de gegevens over eisers werkzaamheden als zelfstandige pas aan het UWV doorgeeft nadat de aangifte inkomstenbelasting bij de Belastingdienst is gedaan. In dit geval heeft het UWV pas bij eisers verzoek om beëindiging van zijn Wajong-uitkering geconstateerd dat eiser sinds 16 januari 2023 met zijn onderneming staat ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Daarnaast blijkt uit een rapportage van 11 juli 2024 dat eiser in het eerste kwartaal van 2023 omzet had, maar dat vanwege uitstel voor de aangifte inkomstenbelasting destijds (op 11 juli 2024) nog niet bekend was of eiser winst had in 2023. Om die reden is pas met het primaire besluit van 12 maart 2025 de Wajong-uitkering over de periode van 16 januari 2023 tot en met 31 december 2023 teruggevorderd.
5.1.
Wat betreft de gevolgen van de terugvordering heeft eiser erop gewezen dat hij de afgelopen jaren veel heeft meegemaakt. Zijn partner is nog niet zo lang geleden overleden. Daarnaast kampt hij met medische klachten, waaronder spannings- en angstklachten, en schuldenproblematiek, waaronder een forse schuld aan het CJIB. Ten aanzien van de psychische klachten heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze klachten dermate ernstig zijn dat hij de informatie over zijn inkomsten als zelfstandige niet tijdig aan het UWV kon doorgeven. Ten aanzien van de financiële gevolgen heeft eiser niet met nadere stukken aannemelijk gemaakt dat de gestelde financiële slechte situatie zodanig is dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare financiële en sociale gevolgen heeft. Onder deze omstandigheden heeft het UWV dan ook geen aanleiding hoeven zien om van terugvordering af te zien.
6. Omdat het UWV in het bestreden besluit bij de belangenafweging in het kader van de dringende redenen slechts is ingegaan op de gestelde financiële gevolgen van de terugvordering en niet ook op de oorzaak en andere gestelde (niet-financiële) gevolgen van de terugvordering, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Op de zitting heeft het UWV alsnog een belangenafweging in het kader van de dringende reden gemaakt als bedoeld in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. [2] Gelet hierop zal de rechtbank het gebrek passeren, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met een gelijke uitkomst zijn genomen.

Conclusie en gevolgen

7. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het UWV heeft dus terecht tot terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan Wajong-uitkering besloten. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Gelet op het motiveringsgebrek ziet de rechtbank wel aanleiding te bepalen dat het UWV het betaalde griffierecht moet vergoeden aan eiser. Ook moet het UWV de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding voor de proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • bepaalt dat het UWV de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
de griffier is verhinderd te tekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2:59, vijfde lid van de Wajong.
2.Vgl. ECLI:NL:CRVB:2024:726, r.o. 4.3.4, en ECLI:NL:CRVB:2025:1333, r.o. 4.8.