ECLI:NL:CRVB:2025:1333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken arbeidsvermogen in relevante periode
Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op basis van het MELAS syndroom, met een aanvraagdatum van 30 november 2021. Het Uwv weigerde aanvankelijk de uitkering omdat appellant op zijn achttiende verjaardag en tijdens zijn studie arbeidsvermogen had. Na bezwaar werd een uitkering toegekend, maar dit besluit werd later ingetrokken op grond van nader onderzoek dat aantoonde dat appellant in de relevante periode over arbeidsvermogen beschikte.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de intrekking gegrond maar handhaafde de weigering van de Wajong-uitkering. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt vast dat appellant in de vijfjaarstermijn na zijn achttiende verjaardag, die bepalend is voor de Wajong, over basale werknemersvaardigheden beschikte en zelfstandig kon werken. De latere toename van beperkingen trad pas na deze periode op.
Appellant voerde aan dat de intrekking in strijd was met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, en dat zijn ernstige ziekte en korte levensverwachting een dringende reden vormden om af te zien van intrekking. De Raad oordeelt echter dat het Uwv de belangen zorgvuldig heeft afgewogen, de intrekking gerechtvaardigd is en dat appellant geen nadeel heeft ondervonden door de intrekking. De proceskosten worden aan het Uwv opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen Wajong-uitkering krijgt vanwege het ontbreken van arbeidsongeschiktheid in de relevante periode.