Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7207

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/9968
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang bij lichte toets compensatie toeslagen

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen heeft in de lichte toets vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een herstelmaatregel en geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Ook in de integrale beoordeling is eiseres niet als gedupeerde aangemerkt.

De rechtbank overweegt dat de integrale beoordeling de lichte toets inhaalt, omdat deze een grondiger onderzoek inhoudt. Hierdoor kan eiseres alleen in de procedure over de integrale beoordeling nog bereiken dat zij als gedupeerde wordt aangemerkt. Het beroep tegen het besluit op de lichte toets heeft geen procesbelang meer, omdat het resultaat daarvan door de integrale beoordeling wordt ingehaald.

De rechtbank volgt hiermee eerdere uitspraken van andere rechtbanken en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Er wordt geen inhoudelijke beoordeling van het beroep gegeven, en eiseres krijgt het griffierecht niet terug noch een vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit op de lichte toets wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9968

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.A. van Gemeren),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). In het kader van de zogenoemde lichte toets heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel en geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Eiseres is zowel op basis van de lichte toets als de integrale beoordeling niet als gedupeerde aangemerkt. Om alsnog te bereiken dat een ouder als een gedupeerde wordt aangemerkt en daarmee aanspraak kan maken op tenminste de € 30.000,- dient de ouder zijn of haar gronden in de procedure over de integrale beoordeling aan te voeren. Dat betekent dat het procesbelang van eiseres in deze procedure over de uitkomst van de lichte toets is komen te vervallen. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Procesverloop

2. Met het besluit van 14 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel en dus geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht.
2.1.
Met het besluit van 25 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen besluit van 14 september 2022 ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 10 april 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De Dienst Toeslagen stelt zich in beroep op het standpunt dat het procesbelang van eiseres is komen te vervallen en wijst in dit kader op de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 5 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6699 en
17 oktober 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6027. Net als in het geval van eiseres was de desbetreffende ouder in die zaken zowel op basis van de lichte toets als de latere integrale beoordeling niet als gedupeerde aangemerkt. De rechtbank Midden-Nederland heeft overwogen dat in dit geval de integrale beoordeling de lichte toets heeft ingehaald in de zin dat bij de integrale beoordeling nog grondiger naar de situatie van de desbetreffende ouder is gekeken en zij opnieuw niet als gedupeerde is aangemerkt. Daarom kan zij slechts in de bezwaar- en beroepsprocedure over de integrale beoordeling alsnog bereiken dat zij als gedupeerde wordt aangemerkt. Door middel van het beroep tegen de lichte toets kan dit niet meer bereikt worden, zodat aldus het procesbelang is komen te vervallen. De Dienst Toeslagen wijst erop dat deze lijn inmiddels door meerdere rechtbanken is gevolgd.
4. Eiseres is zowel op basis van de lichte toets als de integrale beoordeling niet als gedupeerde aangemerkt. De lichte toets is bedoeld om ouders snel duidelijkheid te geven en is daarom beperkt van omvang en intensiteit. Na de lichte toets vindt altijd een integrale beoordeling plaats, tenzij een ouder kenbaar heeft gemaakt dit niet te wensen. Bij de integrale beoordeling wordt grondiger gekeken naar de situatie van de betreffende ouder en naar de vraag of de ouder als gedupeerde kan worden aangemerkt en worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. Op basis van de integrale beoordeling wordt definitief beoordeeld of een ouder als gedupeerde kan worden aangemerkt en daarmee samenhangend of de ouder aanspraak kan maken op de € 30.000,- uit de Catshuisregeling of, indien van toepassing, een hogere compensatie.
5. Het met de Catshuisregeling gemaakte onderscheid tussen de lichte en de integrale toets in combinatie met de reikwijdte van de bestuurlijke heroverweging staat er aan in de weg dat het toetsingskader voor de beoordeling van de lichte toets door het maken van bezwaar kan wijzigen. In de heroverweging van een besluit op basis van de lichte toets kan daarom niet het toetsingskader van de integrale beoordeling worden gebruikt. Dit geldt ook als in bezwaar door de ouder informatie wordt aangedragen die gedetailleerd en volledig genoeg is om een integrale beoordeling op te baseren. Daarmee haalt een besluit op basis van de integrale beoordeling het bezwaar tegen het besluit op basis van de lichte toets in. Een ouder die op basis van de lichte toets niet als gedupeerde is aangemerkt en in de daarop gevolgde integrale beoordeling ook niet, kan in de procedure over de lichte toets niet méér bereiken dan in de procedure tegen de uitkomst van de integrale beoordeling, zodat in die gevallen met het besluit over de integrale beoordeling het procesbelang aan het beroep of hoger beroep tegen het besluit over de lichte toets komt te ontvallen. Om alsnog te bereiken dat een ouder als een gedupeerde wordt aangemerkt en daarmee aanspraak kan maken op tenminste de € 30.000,- dient de ouder zijn of haar gronden in de procedure over de integrale beoordeling aan te voeren. Dat betekent dat het procesbelang van eiseres in deze procedure over de uitkomst van de lichte toets is komen te vervallen. [1]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:720, r.o. 7.1.