Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7218

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/2891
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 15 AVGWet Herstel Toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beslissing Dienst Toeslagen over compensatie Wet Herstel Toeslagen afgewezen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Dienst Toeslagen waarin haar bezwaar tegen de compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen (Wht) over de jaren 2012 en 2013 ongegrond werd verklaard. De Dienst Toeslagen had eerder een nabetaling van € 337 toegekend.

De rechtbank heeft beoordeeld of de Dienst Toeslagen heeft voldaan aan haar verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Eiseres stelde in algemene bewoordingen dat het bezwaardossier onvolledig was en dat haar recht op inzage en andere fundamentele rechtsbeginselen waren geschonden.

De rechtbank oordeelde dat de Dienst Toeslagen alleen verplicht is om relevante stukken te overleggen en dat het volledige dossier van eiseres veel omvangrijker is dan de stukken die op deze zaak betrekking hebben. De overgelegde stukken waren voldoende om te begrijpen hoe het besluit tot stand is gekomen. Daarnaast was er geen belang bij inzage in stukken over een O/GS-beoordeling omdat deze al was vastgesteld zonder gevolgen voor de compensatie.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees proceskostenvergoeding af en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit van de Dienst Toeslagen is ongegrond verklaard omdat alle relevante stukken zijn verstrekt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2891
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres

(gemachtigde: mr. Y.N. Teke-Bozkurt),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres met betrekking tot de aanvraag van eiseres voor compensatie op grond van de Wet Herstel Toeslagen (hierna: Wht).
1.1.
Met het besluit van 28 april 2023 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres compensatie toegekend over de jaren 2012 en 2013. Dit heeft geleid tot een nabetaling van € 337,-.
1.2.
Met het besluit van 3 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben via Teams deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of de Dienst Toeslagen heeft voldaan aan de verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2012 en 2013. De rechtbank stelt voorop dat eiseres in beroep alleen, in algemene bewoordingen, heeft aangevoerd dat het bezwaardossier onvolledig is en dat sprake is van schending van het recht op inzage en andere fundamentele rechtsbeginselen vanwege het ontbreken van stukken.
4. Met betrekking tot de beroepsgrond dat eiseres inzage wil in haar volledige dossier, dan wel andere stukken die niet zien op deze zaak, oordeelt de rechtbank als volgt. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres graag toegang wil tot haar volledige dossier, is de Dienst Toeslagen op grond van artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) enkel verplicht om de stukken die relevant zijn voor de zaak te overleggen. [1] Het volledige dossier van eiseres is veel omvangrijker en valt niet onder de definitie van ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’. De Dienst Toeslagen heeft de documenten waarop het bestreden besluit is gebaseerd in het geding gebracht, en de rechtbank vindt geen aanwijzingen dat er relevante stukken ontbreken. Op basis van de overgelegde documenten is het voldoende duidelijk hoe de Dienst Toeslagen tot het bestreden besluit is gekomen en hoe de compensatie op basis van de Wht is berekend. Overigens is op de zitting besproken dat eiseres in het kader van de procedure over de werkelijke schade de beschikking heeft gekregen over het zogenaamde ouderdossier.
5. Met betrekking tot de beroepsgrond dat de Dienst Toeslagen eventuele stukken in het kader van een O/GS (opzet/grove schuld)-beoordeling niet heeft overgelegd, oordeelt de rechtbank als volgt. Afgezien van het feit dat de rechtbank geen aanknopingspunten in het dossier ziet dat sprake is geweest van een aanvraag om een betalingsregeling, heeft eiseres in deze zaak geen belang bij deze beroepsgrond. Door de Dienst Toeslagen is immers al O/GS vastgesteld, overigens zonder dat dit tot een hogere compensatie leidt. Er is immers al compensatie toegekend vanwege vooringenomen handelen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in deze zaak geen verzoek op grond van artikel 15 van Pro de Algemene Verordening Gegevensbescherming voorligt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding tot een vergoeding van de proceskosten. Ook krijgt eiseres haar griffierecht niet terug.
8. Partijen zijn op de mogelijkheid gewezen om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026 door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3141.