Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen een tijdelijke omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft verleend voor het gebruik van een terrein als hondenspeeltuin, in strijd met het omgevingsplan. Verzoeker, eigenaar van een nabijgelegen woonark en voornemens daar te gaan wonen, stelt dat het besluit onrechtmatig is en dat het gebruik feitelijk structureel is terwijl het tijdelijk zou zijn.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker mogelijk belanghebbende is omdat hij eigenaar is van de woonark nabij de hondenspeeltuin, maar dat er geen spoedeisend belang bestaat. De hondenspeeltuin bestaat al sinds 2015 en het bezwaar zal spoedig worden behandeld. Geluidsonderzoek van de DCMR toont aan dat de geluidsnormen worden nageleefd en verzoeker heeft geen tegenbewijs geleverd.
Omdat er geen onomkeerbare gevolgen zijn en geen evident onrechtmatig besluit is vastgesteld, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak bindt niet in een eventuele bodemprocedure en hoger beroep is uitgesloten.