Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7440

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3788
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen tijdelijke omgevingsvergunning hondenspeeltuin

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen een tijdelijke omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft verleend voor het gebruik van een terrein als hondenspeeltuin, in strijd met het omgevingsplan. Verzoeker, eigenaar van een nabijgelegen woonark en voornemens daar te gaan wonen, stelt dat het besluit onrechtmatig is en dat het gebruik feitelijk structureel is terwijl het tijdelijk zou zijn.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker mogelijk belanghebbende is omdat hij eigenaar is van de woonark nabij de hondenspeeltuin, maar dat er geen spoedeisend belang bestaat. De hondenspeeltuin bestaat al sinds 2015 en het bezwaar zal spoedig worden behandeld. Geluidsonderzoek van de DCMR toont aan dat de geluidsnormen worden nageleefd en verzoeker heeft geen tegenbewijs geleverd.

Omdat er geen onomkeerbare gevolgen zijn en geen evident onrechtmatig besluit is vastgesteld, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. De uitspraak bindt niet in een eventuele bodemprocedure en hoger beroep is uitgesloten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de tijdelijke omgevingsvergunning voor de hondenspeeltuin wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/3788

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. M.A.C. Kooij).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 1] namens
[vergunninghouder], uit Rotterdam, vergunninghouder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening gaat over een tijdelijke omgevingsvergunning voor het gebruik (in strijd met het omgevingsplan) van het terrein op de locatie nabij de [adres 1], te weten: de kadastrale percelen [perceel 1] en [perceel 2] (de locatie), als hondenspeeltuin. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Inleiding

2. Met het bestreden besluit van 6 februari 2026 heeft het college aan vergunninghouder een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het gebruik (in strijd met het omgevingsplan) van het terrein op de locatie als hondenspeeltuin. Verzoeker heeft hiertegen op 24 februari 2026 bezwaar ingesteld en de voorzieningenrechter op 3 mei 2026 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Vergunninghouder heeft een reactie op het verzoek met bijlagen ingediend. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft aanvullende stukken ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld van [naam 2] (partner van verzoeker) en [naam 3] (buurvrouw van verzoeker); de gemachtigde van het college, vergezeld van collega’s [naam 4] en [naam 5]; en [naam 1] en [naam 6] (vrijwilligster bij vergunninghouder).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat ging aan deze zaak vooraf?
3. [vergunninghouder] bestaat sinds 2015 als hondenspeeltuin en -opvang op de locatie. De hondenspeeltuin is gelegen op twee kadastrale percelen en beslaat ongeveer 2.350 m². Op het terrein bevinden zich een parkeerplaats, een hoofdgebouw bestaande uit mobiele units, kennels, een hondenzwembad, twee pergola’s en een hondenzandbak. Rond het terrein is een erfafscheiding geplaatst. Bij vergunninghouder werken circa 27 vrijwilligers van wie de meesten een afstand tot de arbeidsmarkt hebben.
3.1.
Verzoeker woont aan het Gordelpad 283 in Rotterdam. Daarnaast is verzoeker eigenaar van de woonark aan de [adres 2] tegenover de hondenspeeltuin. In de woonark is de diëtistenpraktijk van de partner van verzoeker gevestigd. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij voornemens is in de woonark aan de [adres 2] te gaan wonen.
3.2.
Op 15 november 2022 heeft verzoeker een handhavingsverzoek ingediend omdat hij geluidoverlast (geblaf) van de hondenspeeltuin ervaart. Verzoeker stelt zich in het handhavingsverzoek verder op het standpunt dat vergunninghouder het terrein op de locatie illegaal gebruikt.
3.3.
Op 16 februari 2024 heeft vergunninghouder een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het gebruik (in strijd met het omgevingsplan) van het terrein op de locatie als hondenspeeltuin. Op 22 februari 2024 heeft het college het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan vergunninghouder bekendgemaakt. In dit voornemen is ook de mogelijkheid van tijdelijke legalisatie van de overtreding door het aanvragen en verkrijgen van een omgevingsvergunning genoemd.
3.4.
Op 19 maart 2024 heeft het college het handhavingsverzoek van 15 november 2022 afgewezen.
3.5.
Op 9 april 2024 heeft het college aan vergunninghouder een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor zowel een omgevingsplanactiviteit als een buitenplanse omgevingsactiviteit (omgevingsvergunning 1). Omgevingsvergunning 1 behelst het gebruik (in strijd met het omgevingsplan) van het terrein op de locatie als hondenspeeltuin voor de duur van twee jaar (tot 5 april 2026).
Aan het plan is door het college medewerking verleend omdat, naar de stelling van het college, geen sprake is van stedenbouwkundige bezwaren, de hondenspeeltuin een maatschappelijke functie vervult, de locatie weinig zichtbaar is, het perceel in de toekomst aan het park kan worden teruggegeven en de bouwwerken eenvoudig te verwijderen zijn.
3.6.
Op 10 april 2024 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek van 15 november 2022. Op 14 en 17 mei 2024 heeft verzoeker bezwaren ingediend tegen omgevingsvergunning 1.
3.7.
Naar aanleiding van de bezwaren van 10 april 2024, 14 en 17 mei 2024 heeft de DCMR Milieudienst Rijnmond (de DCMR) een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Van dit onderzoek is een rapport opgesteld van 20 april 2024 waarin door de DCMR de geluidbelasting van de hondenspeeltuin op de nabijgelegen woonarken en woningen is vastgelegd. In het rapport van 20 april 2024 concludeert de DCMR dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locatie, omdat de grenswaarden van het maximaal geluidniveau als gevolg van activiteiten uit het Omgevingsplan gemeente Rotterdam (het omgevingsplan) niet worden overschreden.
[…] ter plaatse van de ligplaatsen [van de woonarken] en ter plaatse van de gevels van woningen [is] een maximaal geluidniveau berekend […] van respectievelijk 69 dB(A) en 63 dB(A).
Indien de vorenstaande maximale geluidniveaus getoetst worden […], kan geconcludeerd worden dat:
- ter plaatse van de gevels van de dichtstbijgelegen woningen voldaan wordt aan de grenswaarde uit het eerste lid van artikel 22.63 uit het Omgevingsplan gemeente Rotterdam;
- ter plaatse van de ligplaatsen [van de woonarken] voldaan wordt aan de grenswaarde uit artikel 22.68 uit het Omgevingsplan gemeente Rotterdam.
3.8.
Op 7 juni 2024 is het bezwaar van 10 april 2024 tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek van 15 november 2022 door het college niet-ontvankelijk verklaard. Op 4 maart 2025 zijn de bezwaren van 14 en 17 mei 2024 tegen omgevingsvergunning 1 ongegrond verklaard.
Waar gaat deze zaak over?
4. Op 12 november 2025 heeft vergunninghouder een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het gebruik (in strijd met het omgevingsplan) van het terrein op de locatie als hondenspeeltuin.
4.1.
Met het bestreden besluit heeft het college aan vergunninghouder een nieuwe tijdelijke omgevingsvergunning verleend (omgevingsvergunning 2) voor het gebruik (in strijd met het omgevingsplan) van het terrein op de locatie als hondenspeeltuin. Het betreft een tijdelijke omgevingsvergunning voor zowel een omgevingsplanactiviteit als een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor de duur van twee jaar en 54 dagen (tot 1 april 2028).
Standpunt verzoeker
5. Verzoeker stelt dat het college expliciet heeft aangegeven dat het gebruik van de hondenspeeltuin na twee jaar zou worden beëindigd. Hij verwijst hiertoe naar de bijlagen bij het verzoek om voorlopige voorzieningen, waaronder het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom dat op 22 februari 2024 aan vergunninghouder is bekendgemaakt. Verzoeker voert daarnaast aan dat een (nieuwe) ruimtelijke onderbouwing ontbreekt voor het opnieuw toestaan van het gebruik. Ook wordt het tijdelijke karakter van de omgevingsvergunning op een oneigenlijke manier toegepast. Er is feitelijk sprake van structureel gebruik. De hondenspeeltuin werd eerst circa tien jaar geëxploiteerd, gevolgd door de verlening van omgevingsvergunning 1 en 2. Verzoeker vindt dat sprake is van duurzaam gebruik onder het label ‘tijdelijk’ zonder dat een volledige planologische afweging heeft plaatsgevonden. Verzoeker betoogt ten slotte dat een kenbare volledige heroverweging ontbreekt. Er bestaan concrete aanwijzingen dat het feitelijk gebruik intensiever is dan hetgeen is vergund. Als het feitelijk gebruik inderdaad structureel verder gaat, dan is dit ten onrechte niet uitdrukkelijk bij de besluitvorming betrokken.
Belanghebbendheid
6. Het college betwist dat verzoeker belanghebbende is. Verzoekers woning ligt op 250 meter afstand van de hondenspeeltuin, waardoor geen sprake is van gevolgen van enige betekenis. Voor de woonark aan de [adres 2] geldt volgens het college dat verzoeker hier niet woonachtig is. Bovendien concludeert het DCMR-rapport dat wat betreft het geluidniveau ten aanzien van de woonarken aan de grenswaarden is voldaan.
6.1.
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt
onder een belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
6.2.
De voorzieningenrechter kan op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting niet uitsluiten dat verzoeker gevolgen van enige betekenis zal ondervinden en kan daarom niet uitsluiten dat verzoeker belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat verzoeker vanuit zijn woning geen gevolgen van enige betekenis ondervindt, maar nu verzoeker heeft gesteld dat hij ook eigenaar is van de woonark aan het [adres 3] en hij het voornemen heeft daar te gaan wonen, kan hij daaraan mogelijk een belang ontlenen [1] . Of dit belang voldoende concreet en actueel is, dient in de bodemprocedure te worden beantwoord.
De voorzieningenrechter ziet, gelet op het voorgaande, geen reden om het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen vanwege het ontbreken van een redelijke kans van slagen van het bezwaar op de grond dat verzoeker geen belanghebbende zou zijn. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat verzoeker in het kader van de eerdere bezwaarprocedure en het verzoek om handhaving wel als belanghebbende is aangemerkt.
Spoedeisend belang
7. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. [2] De hondenspeeltuin is al sinds 2015 op de locatie gevestigd. Voor zover verzoeker aanvoert dat de lopende bezwaarprocedure geruime tijd zal vergen, terwijl hij al jaren met geluidoverlast van de hondenspeeltuin wordt geconfronteerd, oordeelt de voorzieningenrechter dat dit geen grond vormt voor het aannemen van spoedeisend belang. Als een verzoek niet is gericht op het verkrijgen van een voorlopige voorziening hangende de bodemprocedure, maar uitsluitend op het verkrijgen van een spoedig eindoordeel in de bodemprocedure, is volgens vaste rechtspraak geen sprake van een spoedeisend belang. [3] Bovendien heeft het college ter zitting de toezegging gedaan dat het bezwaar van verzoeker vóór de aankomende zomerperiode zal worden behandeld. Niet is gebleken van onomkeerbare gevolgen voor verzoeker als géén voorlopige voorziening wordt getroffen. Dat verzoeker gezondheidsschade zou oplopen als gevolg van de geluidsoverlast is op geen enkele manier aannemelijk gemaakt. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter in de eerste plaats dat uit het DCMR-geluidsrapport blijkt dat ter plaatse van de ligplaats aan de [adres 2] een equivalent geluidsniveau is berekend van ten hoogste 50 dBa en een maximaal geluidsniveau van ten hoogste 69 dBa waarover de DCMR concludeert dat voldaan wordt aan de van toepassing zijnde grenswaarden. Verzoeker heeft dit rapport niet onderbouwd weersproken met bijvoorbeeld een tegenrapport. Daarbij komt dat verzoeker (nog) niet aan de [adres 2] woont. Verzoeker kan dus de bezwaarprocedure afwachten zonder dat er onomkeerbare gevolgen ontstaan. Gelet op het voorgaande is er geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Omdat het vereiste spoedeisend belang ontbreekt, bestaat op dit moment voor de voorzieningenrechter geen ruimte een voorlopig rechtmatigheidsoordeel te geven over het bestreden besluit. De argumenten die verzoeker daartegen heeft aangevoerd, kunnen in deze procedure dan ook niet worden beoordeeld. De voorzieningenrechter is in elk geval van oordeel dat niet is gebleken van een evident onrechtmatig besluit. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Vogtschmidt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.A. Brekelmans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie ABRvS 5 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV8669.
2.Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ5484.