ECLI:NL:RBROT:2026:7632

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
12125667 HA VERZ 26-21
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671 lid 1 onder c BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 7:673 lid 7 BWArt. 7:677 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet geldig, transitievergoeding toegekend aan werknemer

De werknemer trad op 1 september 2025 in dienst als chauffeur bij de werkgever. Op 7 januari 2026 werd hij op staande voet ontslagen wegens het niet afleveren van pakketten die op 31 december 2025 hadden moeten worden bezorgd, terwijl deze op 5 januari 2026 nog in de vrachtwagen werden aangetroffen. Daarnaast waren er klachten over het functioneren van de werknemer, waaronder vertragingen en onbeleefd gedrag.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet geldig is omdat er sprake was van een dringende reden, onverwijlde opzegging en onverwijlde mededeling van de reden. De werknemer was ziekgemeld en had zich laten behandelen door een bedrijfsarts die een burn-out vermoedde, waardoor geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen.

De werknemer heeft recht op een transitievergoeding van €952,06 met wettelijke rente vanaf een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst. Verzoeken om een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding werden afgewezen. De proceskosten van €1.009,- worden aan de werknemer opgelegd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Ontslag op staande voet is geldig, werknemer krijgt transitievergoeding van €952,06, overige vergoedingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht
zaaknummer: 12125667 HA VERZ 26-21
datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoeker],
woonplaats: [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. A.C.F. Berkhof,
tegen
[verweerder],die handelt onder de naam
[handelsnaam],
vestigingsplaats: Dordrecht,
verweerder,
gemachtigde: mr. B.H. Vader.
De partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘[verweerder]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [verzoeker], met bijlagen;
  • het verweerschrift van [verweerder], met bijlagen;
  • de brief van de gemachtigde van [verzoeker] van 6 mei 2026, met een bijlage;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verzoeker].
1.2.
Op 7 mei 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de partijen en hun gemachtigden besproken.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[verzoeker] werkte bij [verweerder] en is op staande voet ontslagen. [verzoeker] legt zich bij het ontslag neer, maar vraagt om een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding en een billijke vergoeding met rente. [verweerder] vindt dat het verzoek moet worden afgewezen.
De uitkomst
2.2.
Het ontslag blijft in stand. [verzoeker] krijgt wel een transitievergoeding. De overige vergoedingen worden afgewezen. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd.
Wat is er gebeurd?
2.3.
[verzoeker] is op 1 september 2025 in dienst getreden bij [verweerder] als chauffeur.
2.4.
Op 7 januari 2026 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. [verzoeker] was op dat moment ziekgemeld en niet aan het werk. Bij e-mail van diezelfde datum is het ontslag aan [verzoeker] bevestigd door [verweerder]. Deze mail luidt, voor zover van belang, als volgt:
“(…) Hierbij deel ik u mede dat ik per direct ontslag op staande voet ga moeten geven. Op datum 5-01-2026.
De reden hiervoor is dat er sprake is van een **dringende reden**, namelijk in de afgelopen periode waar u bij ons in diens was veel zaken zijn besproken en u had beloof voor verbetering in zal brengen. Er zijn veel klachten van uit ons klant tegen over jou. Maar afgelopen maandag avond besloten wij de vrachtwagen op te hallen waar jij normaal gesproken mee rijdt. En bij het ophallen troffen wij goederen van ons klanten die volgens de planning op de dag van 31-12-2025 was opgehaald.en die zou op die daggen moeten worden afgeleverd. Dat was ook op jou planning duidelijk zichtbaar. De pakten troffen wij aan in zitplaats van pasagier plek en dat ging om aantal pakketen. De pakketen troffen wij aan op 5-01-2025. Toen wij jou hadden gebeld gaf jij aan dat je die was vergeten af te leveren. Wat zeer vreemd zaak is. En wat vreemd van alles is dat je niet effe terug kon keren om die toch af te leveren en besloot jij toch terug te rijden richting je huis vanuit breda naar je woonplaats [woonplaats] en ook zonder te melden aan ons. Dit is voor ons zeer onverantwoord en we nemen zulke zakken gelijkwaardig situatie zeer serius. Van daar dat ons besluit is genomen om per direct de dienst verband te beëindigen sammen met ons opdrachtgever. (…)”
2.5.
Per 1 mei 2026 heeft [verzoeker] een andere baan gevonden.
Het ontslag is geldig
2.6.
De opzegging wordt niet vernietigd. Dat kan namelijk alleen als het ontslag niet geldig is (artikel 7:681 lid 1 onder Pro a BW). Daar is in dit geval geen sprake van, want er is voldaan aan de voorwaarden voor een ontslag op staande voet. Dat zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld mededelen van de reden (artikel 7:671 lid 1 onder Pro c BW en artikel 7:677 BW Pro).
Er is een dringende reden
2.7.
Er is een dringende reden voor ontslag op staande voet. Met een dringende reden wordt bedoeld één of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband (artikel 7:678 lid 1 BW Pro). Of er een dringende reden is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden. Hierna wordt uitgelegd waarom hier sprake is van een dringende reden.
2.8.
Als chauffeur moest [verzoeker] tijdens zijn werkdagen pakketten ophalen en ergens anders afleveren. Op 31 december 2025 is dat niet goed gegaan. Het staat namelijk vast dat [verweerder] op 5 januari 2025 op en/of nabij de passagiersstoel van de vrachtwagen meerdere pakketten ter waarde van ongeveer € 9.000,- in totaal heeft aangetroffen terwijl [verzoeker] deze pakketten op 31 december had moeten afleveren. Volgens [verzoeker] was hij dit vergeten vanwege persoonlijke redenen. Van een chauffeur in de logistieke sector, waar het afleveren van pakketten tot de kernactiviteiten behoort, mag echter worden verwacht dat hij daar zorgvuldiger mee omgaat en dergelijke fouten niet maakt. Dit geldt temeer omdat er tijdens het relatief korte dienstverband van [verzoeker] klachten over zijn functioneren zijn geuit door klanten. Zo is er op 17 oktober 2025 aan [verweerder] gemeld dat [verzoeker] met vertraging was vertrokken, onbereikbaar was en bij meerdere klanten te laat is gekomen en is er op 16 december 2025 geklaagd over woordenwisselingen en dat [verzoeker] onbeleefd zou zijn geweest aan de telefoon. [verzoeker] kan zich daar niet in vinden en geeft aan dat klanten juist heel tevreden over hem waren, maar gelet op de onderbouwing door [verweerder] kan [verzoeker] niet volstaan met een dergelijke algemene betwisting. Bovendien sluit de eventuele tevredenheid van de ene klant niet uit dat een ander wel ontevreden is over het door [verzoeker] geleverde werk. Dit alles maakt dat [verweerder] een dringende reden had om [verzoeker] op staande voet te ontslaan.
2.9.
Omdat er een dringende reden is, wordt de verzochte verklaring voor recht afgewezen.
Er is onverwijld opgezegd en de reden is onverwijld medegedeeld
2.10.
Tussen [verweerder] en [verzoeker] is er geen discussie over dat [verweerder] heeft voldaan aan de vereisten om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen en de reden voor het ontslag onverwijld aan [verzoeker] te laten weten. De kantonrechter heeft geen reden om daar anders over te oordelen.
[verweerder] hoeft geen vergoeding voor onregelmatige opzegging te betalen
2.11.
Omdat het ontslag geldig is, gold voor [verweerder] geen opzegtermijn. Daarom heeft [verzoeker] geen recht op een vergoeding voor onregelmatige opzegging (artikel 7:672 lid 11 BW Pro).
[verweerder] moet een transitievergoeding te betalen
2.12.
[verzoeker] heeft recht op een transitievergoeding, omdat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan en geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker]. Er is weliswaar een dringende reden voor ontslag op staande voet, maar de lat voor het aannemen van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten ligt hoog en die hoge lat is hier niet gehaald (artikel 7:673 lid 1 en Pro lid 7 BW). [verzoeker] heeft tijdens de zitting verklaard dat het in de periode rondom het incident niet goed met hem ging en dat hij oververmoeid was. Hij heeft zich daarom rond die tijd ziekgemeld en is ook bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft volgens [verzoeker] aangegeven dat [verzoeker] tegen een burn-out aan zat. [verweerder] heeft dit niet weersproken. Tegen deze achtergrond vindt de kantonrechter dat [verzoeker] geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van zijn gedragingen.
2.13.
Op basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de hoogte van de transitievergoeding € 952,06. Dit bedrag moet [verweerder] aan [verzoeker] betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).
[verzoeker] heeft geen recht op een billijke vergoeding
2.14.
[verzoeker] heeft geen recht op een billijke vergoeding (artikel 7:681 lid 1 onder Pro a BW en artikel 7:671 BW Pro). Er is namelijk, zoals hiervoor geoordeeld, voldaan aan alle voorwaarden voor een ontslag op staande voet.
[verzoeker] moet de proceskosten betalen
2.15.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verzoeker] aan [verweerder] moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad
2.16.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding van € 952,06 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, die aan de kant van [verweerder] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.009,-;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
43416