Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 2 april 2026 met bijlagen;
- het antwoord met bijlagen;
- de aanvullende productie van [eiseres] ;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiseres] ;
- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] .
2.De feiten
3.Het geschil
- [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 10.195,53 bruto aan achterstallig loon over de periode 1 december 2025 tot 1 maart 2026 en tot hervatting van de loonbetalingen per 1 maart 2026 van € 3.398,51 bruto per maand gedurende de tijd dat zij arbeidsongeschikt is en vanaf het moment van haar volledige arbeidsgeschiktheid weer het volledige loon van € 5.347,55 bruto per maand;
- [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen de wettelijke verhoging van 50% als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro van € 5.097,76 bruto met gelijktijdige afgifte van de bijbehorende loonstrook op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag dat [gedaagde] na betekening van het vonnis in gebreke zou blijven om de hiervoor bedoelde loonstrook af te geven;
- [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de gevorderde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van betaling;
- [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 927,93 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.