ECLI:NL:RBROT:2026:7803

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
12152142 VV EXPL 26-160
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7:628 lid 1 BWArt. 7:629 lid 1 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering tijdens ziekte ondanks intrekking verblijfsvergunning kennismigrant

De zaak betreft een werknemer met de Jamaicaanse nationaliteit die na de Russische invasie in Oekraïne naar Nederland kwam en sinds 26 mei 2024 in dienst was bij een cosmetische kliniek. Zij kreeg een verblijfsvergunning als kennismigrant, maar deze werd met terugwerkende kracht ingetrokken omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden, waaronder het ontbreken van een BIG-registratie. Sinds 27 juni 2025 is zij arbeidsongeschikt en sinds 1 december 2025 is de loonbetaling door de werkgever gestopt.

De werknemer vordert betaling van achterstallig loon en voortzetting van loonbetaling tijdens ziekte. De werkgever betoogt dat de loonbetaling niet verplicht is omdat de werknemer niet beschikt over een geldige verblijfs- en tewerkstellingsvergunning en BIG-registratie, waardoor zij niet mag werken.

De kantonrechter oordeelt dat de primaire reden van verhindering tot werken de ziekte is en niet het ontbreken van de vergunningen. Daarom moet de werkgever het loon tijdens ziekte doorbetalen tot het moment dat de werknemer weer arbeidsgeschikt is. De wettelijke verhoging wordt afgewezen, maar de wettelijke rente en incassokosten worden toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Werkgever moet loon doorbetalen tijdens ziekte ondanks intrekking verblijfsvergunning kennismigrant.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12152142 VV EXPL 26-160
datum uitspraak: 4 juni 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. M. van Wijk-van den Berg,
tegen
[gedaagde],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. I.C.M.C. Henriquez-van de Wetering.
De partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 2 april 2026 met bijlagen;
  • het antwoord met bijlagen;
  • de aanvullende productie van [eiseres] ;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiseres] ;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] .
1.2.
De zaak is op 12 mei 2026 tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon A] met mr. M. van Wijk-van den Berg en namens [gedaagde] [persoon B] (directeur) met mr. I.C.M.C. Henriquez-van de Wetering.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] heeft de Jamaicaanse nationaliteit en verbleef in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Zij heeft daar in 2022 haar master algemene geneeskunde behaald.
2.2.
[eiseres] is na de Russische invasie van Oekraïne (eind februari 2022) naar Nederland gekomen.
2.3.
[gedaagde] is een cosmetische kliniek gespecialiseerd in huidverzorging en injectables, zoals fillers en botox.
2.4.
[eiseres] is per 10 augustus 2022 als zzp-er in de kliniek voor [gedaagde] werkzaamheden gaan uitvoeren. Daarna heeft zij via derden bij [gedaagde] gewerkt. Sinds 26 mei 2024 is [eiseres] in dienst bij [gedaagde] in de functie van arts.
2.5.
[eiseres] heeft op 1 september 2023 een verblijfsvergunning als kennismigrant gekregen. De IND heeft op 9 april 2025 laten weten dat [eiseres] niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning als kennismigrant en dat zij daarom het voornemen heeft om de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht (vanaf 27 augustus 2024) in te trekken. Bij beschikking van 13 november 2025 heeft de IND de verblijfsvergunning van [eiseres] met terugwerkende kracht vanaf 27 augustus 2024 ingetrokken.
2.6.
[eiseres] is sinds 27 juni 2025 arbeidsongeschikt (ziek).
2.7.
[gedaagde] heeft op 17 december 2025 een loonstop aangekondigd en is met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2025 gestopt met het betalen van loon aan [eiseres] .

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert samengevat:
  • [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 10.195,53 bruto aan achterstallig loon over de periode 1 december 2025 tot 1 maart 2026 en tot hervatting van de loonbetalingen per 1 maart 2026 van € 3.398,51 bruto per maand gedurende de tijd dat zij arbeidsongeschikt is en vanaf het moment van haar volledige arbeidsgeschiktheid weer het volledige loon van € 5.347,55 bruto per maand;
  • [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen de wettelijke verhoging van 50% als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro van € 5.097,76 bruto met gelijktijdige afgifte van de bijbehorende loonstrook op verbeurte van een dwangsom van € 50,- per dag dat [gedaagde] na betekening van het vonnis in gebreke zou blijven om de hiervoor bedoelde loonstrook af te geven;
  • [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de gevorderde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van betaling;
  • [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 927,93 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
[eiseres] baseert haar vordering op het volgende. [eiseres] is sinds 27 juni 2025 arbeidsongeschikt en kan om die reden niet werken. Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW Pro heeft zij recht op loon tijdens ziekte. [eiseres] acht het niet redelijk dat [gedaagde] haar sinds 1 december 2025 geen loon meer betaalt omdat het in haar risicosfeer zou liggen dat zij (vooralsnog) geen verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning heeft en daar ook niet voor in aanmerking komt als kennismigrant omdat zij (nog) niet BIG-geregistreerd is. [eiseres] heeft sinds 1 december 2025 geen inkomsten meer terwijl haar vaste lasten doorlopen.
3.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiseres] en voert het volgende aan. [eiseres] is verhinderd om te werken omdat zij niet (meer) beschikt over een verblijfsvergunning en evenmin over een tewerkstellingsvergunning en BIG-registratie. Achtergrond hiervan is dat de bescherming krachtens de Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne [1] voor zogenoemde derdelanders is geëindigd. Het ontbreken van de daardoor nu vereiste vergunningen en BIG-registratie is een omstandigheid die in redelijkheid voor rekening van [eiseres] behoort te komen.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure (die langer duurt dan een kort geding procedure) niet hoeft af te wachten. Bij de beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een gewone procedure wordt toegewezen. Ook moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van haar vordering worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als de uitspraak later zou worden teruggedraaid.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel, anders dan [gedaagde] , dat [eiseres] bij haar vordering een voldoende spoedeisend belang heeft. Bij een loonvordering is het spoedeisend belang in principe gegeven. Dat [eiseres] haar vordering in de vorm van een nevenvoorziening ook in de (in Breda) lopende ontbindingsprocedure kan instellen maakt dit niet anders. [eiseres] heeft voldoende toegelicht dat zij haar inkomsten nodig heeft om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien en haar vaste lasten te kunnen betalen.
Inhoudelijk
4.3.
De kantonrechter zal de vordering van [eiseres] toewijzen zoals in de beslissing bepaald. Dit wordt hierna uitgelegd.
4.4.
Vast staat dat [eiseres] in Nederland viel onder de werking van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (zie voetnoot 1). Hierdoor mocht [eiseres] als derdelander met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning tijdelijk in Nederland verblijven en werken zonder afzonderlijke verblijfsvergunning of tewerkstellingsvergunning. Met het oog op het eindigen van die tijdelijke beschermingsregeling heeft ( [gedaagde] voor) [eiseres] een verblijfsvergunning als kennismigrant aangevraagd. Deze heeft [eiseres] op 1 september 2023 gekregen. Uiteindelijk is de werking van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming voor derdelanders per 4 september 2025 geëindigd. Vanaf dat moment moest [eiseres] een verblijfs- en arbeidsrechtelijke titel hebben om in Nederland te mogen verblijven en werken.
4.5.
De IND heeft de verblijfsvergunning als kennismigrant van [eiseres] bij beschikking van 13 november 2025 met terugwerkende kracht vanaf 27 augustus 2024 ingetrokken omdat [eiseres] niet voldeed aan de voorwaarden waaronder de vergunning was verleend. Voor een verblijfsvergunning als kennismigrant in de individuele gezondheidszorg is een registratie in het BIG-register vereist en [eiseres] heeft geen BIG-registratie. Partijen zijn het erover eens dat het verkrijgen van een BIG-registratie een langdurig traject is en dat [eiseres] daar op korte termijn niet aan kan voldoen. Het gevolg is dat [eiseres] niet meer beschikt over een geldige verblijfs- en arbeidsrechtelijke titel op grond waarvan zij in Nederland mag verblijven en werken.
4.6.
Vast staat ook dat [eiseres] vanaf 27 juni 2025 wegens ziekte haar werkzaamheden niet kan doen en dat zij in beginsel recht heeft op doorbetaling van loon tijdens ziekte. Dit volgt uit artikel 7:629 lid 1 BW Pro.
4.7.
Volgens [gedaagde] geldt de wettelijke verplichting tot loondoorbetaling tijdens ziekte in dit geval niet. [gedaagde] stelt dat de oorzaak van [eiseres] ’ verhindering om te werken niet is gelegen in haar arbeidsongeschiktheid maar in het ontbreken van een geldige verblijfs- en tewerkstellingsvergunning en BIG-registratie. [eiseres] kan de werkzaamheden waarvoor zij is aangenomen hoe dan ook niet verrichten, ook niet wanneer zij op korte termijn volledig hersteld zou zijn. [gedaagde] mag haar ook niet te werk stellen en zou bij overtreding een boete riskeren. Dit ligt volgens [gedaagde] in de risicosfeer van [eiseres] . Het is aan [eiseres] om te voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de benodigde vergunningen en kwalificaties. [gedaagde] stelt dat haar ( [gedaagde] ) in deze geen verwijt valt te maken. Nadat de bescherming van derdelanders krachtens de Richtlijn Tijdelijke Bescherming was geëindigd ging [gedaagde] ervan uit dat [eiseres] beschikte over een verblijfsvergunning als kennismigrant en op grond daarvan voor [gedaagde] mocht werken. Dat deze vergunning achteraf is ingetrokken is niet aan [gedaagde] toe te rekenen maar komt omdat [eiseres] niet over de voor de vergunning benodigde kwalificaties beschikt. Dit ligt formeel gesproken in haar macht en (daarmee) in haar risicosfeer. [eiseres] heeft daarom op grond van artikel 7:628 lid 1 BW Pro geen recht op loon, aldus [gedaagde] .
4.8.
De kantonrechter volgt het standpunt van [gedaagde] slechts ten dele. De primaire reden dat [eiseres] de overeengekomen arbeid op dit moment niet kan verrichten is, anders dan [gedaagde] betoogt, gelegen in de ziekte van [eiseres] en niet in het wegvallen van de bescherming krachtens de Richtlijn Tijdelijke Bescherming of het achteraf intrekken van haar verblijfsvergunning. De bescherming krachtens de Richtlijn is per 4 september 2025 geëindigd en ook de verblijfsvergunning als kennismigrant van [eiseres] is na het intreden van haar ziekte ingetrokken. [eiseres] is ziek vanaf 27 juni 2025 en het besluit van de IND om haar verblijfsvergunning in te trekken is van 13 november 2025. [eiseres] heeft de bedrijfsarts op 19 december 2025 voor het laatst gezien en gesproken. De bedrijfsarts heeft vervolgens teruggekoppeld dat bij [eiseres] de beperkingen nog steeds aanwezig zijn en behandeling nog moet worden opgestart. [eiseres] was toen dus volledig arbeidsongeschikt. Gesteld noch gebleken is dat dit op dit moment anders is. Dit betekent, voorlopig oordelend, dat tot het moment dat [eiseres] fysiek weer in staat wordt geacht om het werk te hervatten [gedaagde] aan haar wettelijke loondoorbetalingsverplichting moet voldoen. Na dit moment komt de verhindering om te werken in redelijkheid voor rekening van [eiseres] omdat zij niet (meer) over de daarvoor benodigde vergunningen beschikt.
4.9.
De door [eiseres] gevorderde wettelijke verhoging zal worden afgewezen. Beide partijen, en dus ook [gedaagde] , zijn geconfronteerd met (het wegvallen van) ingewikkelde regelgeving en niet is gebleken dat [gedaagde] zonder meer had moeten beseffen dat in de omstandigheden van het geval loon moest worden doorbetaald. Dit betekent ook dat de vordering tot afgifte van de met de wettelijke verhoging corresponderende loonstrook zal worden afgewezen. De gevorderde wettelijke rente daarentegen zal wel worden toegewezen.
4.10.
De gevorderde incassokosten van € 927,93 zullen worden toegewezen omdat aan de voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW Pro).
Proceskosten
4.11.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat zij in belangrijke mate ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot deze kosten op € 151,94 aan dagvaardingskosten, € 753,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dit is in totaal € 1.904,94. Hier kan nog een bedrag bij komen als het vonnis zou moeten worden betekend.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.12.
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dit betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook wanneer één van de partijen tegen het vonnis hoger beroep instelt.
4.13.
[gedaagde] heeft verzocht het vonnis, bij toewijzing van de vordering van [eiseres] , niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat [eiseres] Nederland waarschijnlijk binnenkort zal moeten verlaten. De kantonrechter ziet in dat de verblijfsrechtelijke positie van [eiseres] onzekerheden kent en dat, als [eiseres] Nederland heeft verlaten, het terugvorderen van aan haar betaalde bedragen problematisch kan zijn. Dit risico is echter onvoldoende om af te wijken van het gangbare uitgangspunt dat een veroordeling tot betaling van loon uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Achtergrond hiervan is dat in het algemeen een werknemer zijn loon nodig heeft om zijn lasten te kunnen betalen. Niet is gebleken dat dit in het geval van [eiseres] anders is. Tegenover het door [gedaagde] gestelde restitutierisico staat het zwaarwegende belang van [eiseres] bij betaling van loon. Dit laatste belang weegt in dit geval het zwaarst.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 10.195,53 bruto aan achterstallig loon over de periode 1 december 2025 tot 1 maart 2026 en tot hervatting van de loonbetalingen vanaf 1 maart 2026 van € 3.398,51 bruto per maand totdat [eiseres] fysiek weer in staat wordt geacht om het werk te hervatten;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro te betalen vanaf de vervaldag van de verschuldigde bedragen tot de dag van betaling;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 927,93 aan buitengerechtelijke incassokosten;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiseres] begroot op in totaal € 1.904,94;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het overige af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
26975

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.