ECLI:NL:RBROT:2026:7909

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/4718
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening tegen afwijzing overname geldschuld Wht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Financiën van 19 augustus 2024, waarin het bezwaar tegen de afwijzing van een aanvraag tot overname van een geldschuld op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) ongegrond werd verklaard.

De rechtbank Rotterdam heeft op 11 juni 2026 het beroep behandeld en direct uitspraak gedaan. De kern van de beoordeling betrof de ontvankelijkheid van het beroep, omdat het beroepschrift ongeveer acht en een halve maand te laat was ingediend.

De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser kon geen omstandigheden zoals ziekte of psychisch onvermogen aantonen die de late indiening konden rechtvaardigen. Ook de verwijzing naar het doel van de hersteloperatie en eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waren onvoldoende om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.

Omdat het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard, is de inhoudelijke beoordeling van het beroep niet aan de orde gekomen. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en wees partijen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet-verschoonbare termijnoverschrijding van acht en een halve maand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4718
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.B. Visser),
en

de minister van Financiën

(gemachtigde: [naam 2] ).

Procesverloop

Met het besluit van 7 september 2023 heeft de minister de aanvraag van eiser om overname van een geldschuld afgewezen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
Met het besluit van 19 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het besluit van 7 september 2023 ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 18 juni 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Motivering

1. Het staat vast dat het eiser het beroepschrift ongeveer acht en een halve maand te laat heeft ingediend. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of die termijnoverschrijding verschoonbaar is. [1] Dat kan aan de orde zijn als eiser geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, of als sprake is van slechts geringe verwijtbaarheid waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. [2]
2. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van de situatie dat eiser
geenverwijt kan worden gemaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als sprake is van ziekte of psychisch onvermogen. Maar dat is niet gebleken. Eiser heeft dat niet onderbouwd.
3. Ook is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van slechts geringe verwijtbaarheid waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De rechtbank weegt de lange duur van de termijnoverschrijding mee, namelijk acht en een halve maand. Dat eiser niet juridisch geschoold is, is voor de rechtbank niet doorslaggevend. Hij was immers wel in staat om zonder juridische bijstand tijdig een bezwaarschrift in te dienen. De verwijzing van eiser naar het doel van de hersteloperatie, namelijk dat ouders recht wordt gedaan, is op zichzelf geen reden om de te late indiening van het beroepschrift verschoonbaar te achten. Ook de verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [3] is geen reden om verschoonbaarheid aan te nemen. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de Dienst Toeslagen tijdelijk geen dwangsom verschuldigd is bij het uitblijven van bepaalde besluiten. In de eerste plaats is de situatie van eiser niet vergelijkbaar met die van de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft te maken met een groot aantal aanvragen, terwijl het in het geval van eiser gaat om één beroepschrift. In de tweede plaats is niet de Dienst Toeslagen, maar de minister verweerder in deze zaak.
4. Nu het beroep niet-ontvankelijk is, komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
6. De rechtbank wijst partijen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026 door mr. G.B. Plomp, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie de uitspraken van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34.
3.De uitspraak van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3192.