ECLI:NL:RBROT:2026:7919

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
ROT 26/4474
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens overtreding Opiumwet

De burgemeester van Voorne aan Zee sloot op 20 mei 2026 de woning van verzoeker vanwege een overtreding van de Opiumwet, nadat op 16 maart 2026 bij een politie-inval MDMA en aanverwante attributen werden aangetroffen. Verzoeker maakte bezwaar tegen de sluiting en vroeg om een voorlopige voorziening om in de woning te kunnen blijven.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd is tot sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet, gezien de aangetroffen handelshoeveelheid drugs en attributen. Echter, verzoeker betwistte betrokkenheid en stelde dat hij niet op de hoogte was van de drugs. De rechter vond dat de burgemeester onvoldoende had gemotiveerd waarom verzoeker een ernstig verwijt kan worden gemaakt, mede gelet op de renovatiesituatie, het gebruik van de buitenkeuken door derden en het ontbreken van eerdere drugsoverlast of antecedenten.

Ook de noodzakelijkheid en evenwichtigheid van de sluiting werden beoordeeld. Verzoeker had diverse maatregelen genomen om herhaling te voorkomen. De burgemeester baseerde zijn oordeel op het verwijt, dat niet zonder meer gehandhaafd kon worden. De rechter vond dat de belangen van verzoeker bij voortgezet gebruik van de woning zwaarder kunnen wegen dan de belangen van de burgemeester bij sluiting, zeker gezien de ingrijpende gevolgen.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit tot sluiting geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: De voorzieningenrechter schorst de sluiting van de woning tot zes weken na de beslissing op bezwaar, waardoor verzoeker voorlopig in de woning kan blijven.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/4474

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , verzoeker,

(gemachtigde: mr. F. el Makhtari),
en

de burgemeester van Voorne aan Zee, de burgemeester,

(gemachtigde: mr. drs. J. van der Kuil),
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam 2] .

Inleiding

1.1.
Met het bestreden besluit van 20 mei 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker met een begunstigingstermijn van acht dagen gesloten vanwege een overtreding van de Opiumwet. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De burgemeester heeft op 4 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester. Ook is namens de burgemeester verschenen [naam 3] , adviseur veiligheid.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
2. Verzoeker woont op het adres de [straatnaam] in [woonplaats] . De vader van verzoeker ( [naam 4] ) is de eigenaar van de woning. De politie heeft op 16 maart 2026 de woning en de bijbehorende schuur doorzocht naar aanleiding van een Melding Misdaad Anoniem (MMA) over het bezit van een handvuurwapen door verzoeker. Na het aantreffen van een tabletteermachine in een bijgebouw (buitenkeuken) bij de woning is de doorzoeking gestopt en vervolgens onder leiding van de rechter-commissaris hervat. In één slaapkamer in de woning zijn diamantvormige gleuftabeletten met als indruk het “Punisher” logo, een potje met blauwe poeder, een gripzakje met diamantvormige tabletten met als indruk het “Punisher” logo, een plastic zak met een etiket met de opschrift “Novapress” en “Baby blue” met lichtblauwe poeder, drie ziplock zakken met gleuftabletten met als indruk “Moncler” en het “Moncler” logo, een zwart gripzakje met beige kristalachtig poeder en brokjes. Verder zijn bij een bijgebouw een tabletteermachine en stempels voor een tabletteermachine met de opdruk “Moncler” aangetroffen. De aangetroffen tabletten, poeders en brokjes zijn getest en gewogen: er was sprake van MDMA (in totaal 1.799,8 gram) en cellulose (in totaal 2.340,6 gram). Verzoeker is als verdachte aangehouden ter zake van een overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en Wet wapens en munitie. Dit blijkt uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 15 april 2026.
Waar gaat het in deze zaak om?
3. De burgemeester heeft op grond van de bestuurlijke rapportage besloten om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden. Daaraan ligt de geconstateerde overtreding van de Opiumwet ten grondslag. Verzoeker is het niet eens met de sluiting. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij voorlopig in de woning kan blijven wonen. De burgemeester heeft toegezegd dat de woning open blijft tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter vindt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, dan heeft verzoeker gedurende drie maanden geen toegang tot zijn woning en hij heeft voldoende aannemelijk gemaakt geen alternatieve woning te hebben voor die periode.
Beoordelingskader
6.1.
Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen drugs wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
6.2.
De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Voorne aan Zee tegen te gaan. Dit beleid staat in het Damoclesbeleid gemeente Voorne aan Zee. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in beginsel overgaat tot sluiting van een woning.
Is de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?
7. Verzoeker betwist de bevoegdheid van de burgemeester. Er is geen sprake van maatschappelijk onrust. De sluiting heeft enkel een punitief karakter en artikel 13b van de Opiumwet is daar niet voor bedoeld.
8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij van oordeel is dat de bijgebouwen een samenhangend geheel vormen met de woning. Daartoe acht de voorzieningenrechter relevant dat de vader van verzoeker eigenaar is van het gehele perceel, verzoeker het gehele perceel in gebruik heeft, de bijgebouwen voor stroomvoorziening is aangesloten op de woning en het perceel als één geheel is omsloten en vanaf de openbare weg toegankelijk is via één oprit. De bevoegdheid tot sluiting van de burgemeester strekt zich dus uit tot het gehele perceel. Vanwege de dieren die verblijven op het erf heeft de burgemeester echter besloten om alleen de woning te sluiten.
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester in beginsel bevoegd is om de woning te sluiten, gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs. In de woning is in totaal 1.799,8 gram MDMA aangetroffen. Dit ligt fors boven de grenswaarde van 5 gram, zodat wordt gesproken van een handelshoeveelheid. Daarnaast zijn er versnijdingsmiddelen, zoals cellulose (in totaal 2.340,6 gram), en aanverwante attributen, zoals een tabletteermachine, stempels voor een tabletteermachine en gripszakjes, aangetroffen. Aldus is er sprake van een overtreding van de Opiumwet. Een sluitingsbevel is enkel gericht op beëindiging en voorkoming van overtredingen van de Opiumwet (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3663). In zoverre heeft de woningsluiting geen punitief karakter.
Kan verzoeker een verwijt worden gemaakt van de overtreding?
10. Verzoeker betwist dat hij op de hoogte was van de aangetroffen verdovende middelen en aanverwante attributen.
11. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden kan maken dat de burgemeester geen gebruik van zijn bevoegdheid mag maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning. Van de hoofdbewoner wordt verlangd dat hij toezicht uitoefent op wat in de woning gebeurt. Daarbij past de kanttekening dat er grenzen zijn aan het toezicht dat redelijkerwijs mag worden verwacht en dat dat mede afhankelijk is van de woonsituatie. De burgemeester zal, indien hij van zijn bevoegdheid tot sluiting van een woning gebruik maakt, deugdelijk moeten motiveren welk verwijt de hoofdbewoner die door de sluiting wordt getroffen, wordt gemaakt (zie de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2924).
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verzoeker een (ernstig) verwijt kan worden gemaakt van de geconstateerde overtreding. Niet in geschil is dat de woning een woonoppervlakte van 292m² en het perceel een oppervlakte van 27.570m² heeft. Verzoeker heeft onweersproken verklaard dat zijn vader eerder verbleef in de woning, zijn vader is verhuisd omdat hij is gaan samenwonen met zijn nieuwe partner, hij recent de woning heeft betrokken en dat de woning zeer grondig wordt gerenoveerd. Daarnaast heeft hij onweersproken verklaard dat hij een (gerenommeerd) aannemersbedrijf heeft ingehuurd waardoor het een komen en gaan was van werklieden in en rondom de woning. De tabletteermachine is aangetroffen in de buitenkeuken en de Actiontas met tabletten lag in de woning in een kamer op de eerste verdieping. Verzoeker heeft toegelicht dat de buitenkeuken voor iedereen toegankelijk is en niet kan worden afgesloten. Ook heeft hij toegelicht dat de Actiontas weliswaar zichtbaar op het bed lag maar dat daarnaast ook diverse andere tassen en allerhande rommel op het bed lag, dat de kamer door de werklieden werd gebruikt als tijdelijke opslagplaats en hij normaliter niet in deze ruimte hoeft te zijn. Daarbij heeft verzoeker gewezen op de aan de bestuurlijke rapportage gehechte foto’s van de situatie ten tijde van de instap van de politie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden uitgesloten dat de verklaring van verzoeker dat hij niet op de hoogte was van de verdovende middelen en aanverwante attributen, mede gelet op het feit dat verzoeker overdag elders aan het werk was en het praktisch gezien ondoenlijk is om elke dag (iedere tas op) het erf, de bijwoning, de buitenkeuken, de stallen en de woning te controleren. Daarom zou kunnen kloppen dat één of meerdere werklieden de woning van verzoeker heeft gebruikt voor drugsgerelateerde activiteiten. In het bestreden besluit heeft de burgemeester opgemerkt dat met deze verklaringen niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker niets van de drugs of de aanverwante attributen wist, zonder daarbij concrete argumenten aan te dragen. Ter zitting heeft de gemachtigde van de burgemeester nog opgemerkt dat deze verklaringen te algemeen zijn, zonder daarbij aan te geven welke details verzoeker nog meer had moeten verschaffen. Daar komt bij dat in de bestuurlijke rapportage van de politie en de besluitvorming van de burgemeester niet staat dat de woning als drugspand bekend staat of anderszins eerder al met drugs in verband was gebracht en/of dat verzoeker bekend is met (drugsgerelateerde) antecedenten, in welk geval zonder meer van verzoeker meer toezicht verwacht had mogen worden. Het enige dat bekend is, zijn de observaties van de politie op 16 maart 2026 zoals eerder die onder 2 zijn beschreven. Uit hetgeen die dag is gebeurd, kan niet worden afgeleid dat de woning al langer bekend stond als een plaats waarin drugs werd gehandeld of drugs werden bewaard. Er zijn geen eerdere politiewaarnemingen of meldingen van omwonenden over (drugsgerelateerde) overlast. De MMA van 13 maart 2026 zag op het bezit van een handvuurwapen maar de vader van verzoeker heeft hiervoor een vergunning. In het bestreden besluit heeft de burgemeester erkend dat het vuurwapen geen indicatie is voor drugshandel. Aan de hand van de goederen die in of rondom de woning zijn aangetroffen, kan evenmin worden afgeleid dat die daar al voor langere tijd, althans in ieder geval voor de renovatie, lagen. Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter er vooralsnog niet van overtuigd dat verzoeker een (ernstig) verwijt kan worden gemaakt.
Is de sluiting noodzakelijk en evenwichtig?
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan niet worden uitgesloten dat verzoeker in het geheel niet op de hoogte was (en kon zijn) van de aangetroffen verdovende middelen en aanverwante attributen. Het mogelijk ontbreken van iedere betrokkenheid is niet alleen van belang van de beoordeling van de evenwichtigheid maar, in dit specifieke geval, ook bij de beoordeling van de noodzakelijkheid.
14. Wat betreft de noodzakelijkheid stelt verzoeker dat de burgemeester had moeten volstaan met een lichter middel omdat hij na de instap meerdere maatregelen heeft getroffen. Hij heeft een geavanceerd camerasysteem aangeschaft, de toegangscode van het huis gewijzigd, deze code alleen aan een beperkt aantal medewerkers van het aannemersbedrijf gegeven, de werklieden die toegang hebben tot de woning gescreend door van hen een VOG te vragen, de woning helemaal schoongemaakt, alle kamers voorzien van een slot en hij heeft gesteld dat de vriendin de werklieden gedurende de renovatie in de gaten zal houden. Het standpunt van de burgemeester dat dit onvoldoende garantie biedt om herhaling te voorkomen is gebaseerd op de conclusie dat verzoeker een verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. Die conclusie kan echter niet zonder meer worden gehandhaafd. Ook zal de burgemeester moeten motiveren in hoeverre het waarschijnlijk is dat er zich opnieuw een drugsgerelateerd incident zal voordoen in de woning.
15. Wat betreft de evenwichtigheid moeten de mate van verwijtbaarheid en de nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de belangen die met de sluiting van de woning worden gediend. In hoofdstuk 2 van het Damoclesbeleid is het doel en zijn de subdoelen bij de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet genoemd. Zoals overwogen onder 12, is niet gebleken dat in het recente verleden vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit en dat de woning bekend staat als drugspand. De woning sluiten om de bekendheid als drugspand of om de loop op de woning weg te nemen, is dus niet aan de orde. Wat – naar wat het nu zich laat aanzien – overblijft is de op 16 maart 2026 geconstateerde overtreding. Deze omstandigheid op zichzelf weegt minder zwaar dan de ingrijpende gevolgen die sluiting van de woning meebrengt, indien verzoeker geen verwijt treft. Indien de burgemeester bij ontbreken van betrokkenheid de sluiting toch wil handhaven zal hij inzichtelijk moeten maken welke van de in hoofdstuk 2 genoemde doel(en) met de sluiting wordt/worden gediend en moeten uitleggen waarom dit belang of deze belangen in dit specifieke geval zwaarder weegt.
16. Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan op dit moment worden betwijfeld of de burgemeester de belangen bij de sluiting van de woning zwaarder heeft mogen wegen dan de belangen van verzoeker bij het voortgezet gebruik van de woning. Daarom kan niet gezegd worden dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen door het bestreden besluit te schorsen. De overige gronden behoeven geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

17. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit schorsen tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Dit betekent dat de woning vooralsnog open mag blijven.
18. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt zij dat de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
19. De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester verder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Toegekend wordt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker;
  • draagt de burgemeester op het door verzoeker betaalde griffierecht van € 200,- te vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.