ECLI:NL:RBROT:2026:8074

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/8332
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:7 AwbArt. 7:9 AwbArt. 13 WazArt. 3:2 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen UWV-besluit over arbeidsongeschiktheidspercentage zelfstandige koerier

Eiser, een zelfstandig koerier die sinds 2002 arbeidsongeschikt is, betwist het door het UWV vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55% en stelt dat zijn beperkingen onjuist zijn vastgesteld. De rechtbank beoordeelt het primaire en bestreden besluit van het UWV, waarbij medische en arbeidskundige rapportages zijn betrokken.

De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige het arbeidsongeschiktheidspercentage en de geschiktheid voor functies zorgvuldig en gemotiveerd hebben vastgesteld. Hoewel eiser aanvoert dat bepaalde functies ongeschikt zijn vanwege gevaarlijke machines of belastbaarheid, weerlegt de rechtbank dit op basis van de toelichtingen van de arbeidsdeskundige. Wel wordt een functie buiten beschouwing gelaten vanwege onjuiste gegevens in het CBBS.

De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is wegens schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat er nog minimaal drie geschikte functies overblijven en het arbeidsongeschiktheidspercentage gelijk blijft. Eiser krijgt het griffierecht en proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8332

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. M.B.A. van Grinsven).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over eisers uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz). Eiser is het niet eens met het door het UWV vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage en heeft beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, maar dat dit niet leidt tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 31 januari 2024 heeft het UWV bepaald dat eisers Waz-uitkering per 16 maart 2022 wordt verhoogd en dat eisers uitkering is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45% tot 55%. Met het bestreden besluit van 8 oktober 2025 is het UWV bij dat besluit gebleven. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
2.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Eiser heeft op 29 april 2026 119 pagina’s aan nadere (medische) stukken ingediend. Hierop heeft het UWV gereageerd op 21 mei 2026.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is er gebeurd?

3. Eiser is werkzaam geweest als zelfstandig koerier. Hij is op 19 juli 2002 uitgevallen en ontvangt een Waz-uitkering, sinds 2007 op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage tussen de 35 en 45%. Op 17 maart 2021 heeft eiser doorgegeven dat zijn medische situatie is verslechterd. Naar aanleiding hiervan heeft een verzekeringsarts onderzoek verricht en in een rapportage van 10 januari 2024 geconcludeerd dat eisers benutbare mogelijkheden sinds de datum van de melding (17 maart 2021) zijn gewijzigd. De verzekeringsarts heeft op 10 januari 2024 twee functionele mogelijkhedenlijsten (FML) opgesteld. Eén FML bevat de mogelijkheden en beperkingen als gevolg van eisers oorspronkelijke ziekteoorzaken en één FML bevat alle mogelijkheden en beperkingen van eiser. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige in de rapportage van 29 januari 2024 vastgesteld dat eiser met zijn mogelijkheden en beperkingen zijn eigen arbeid niet kan verrichten, maar wel een aantal functies kan verrichten. Het loon dat eiser met deze functies kan verrichten, ligt 47,75% lager dan het loon dat eiser verdiende voordat hij uitviel. Vervolgens heeft het UWV het primaire besluit genomen en bepaald dat eiser 47,75% arbeidsongeschikt is.
4. Naar aanleiding van eisers bezwaar tegen het primaire besluit heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek verricht en in de rapportage van 15 juli 2025 geconcludeerd dat geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die leiden tot een ander oordeel over eisers mogelijkheden en beperkingen zoals de primaire verzekeringsarts die in de FML heeft vastgelegd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in een rapportage van 3 oktober 2025 geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van de conclusie van de primaire arbeidsdeskundige. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen.
Waar gaat het om in deze zaak?
5. De rechtbank moet beoordelen of het UWV terecht heeft bepaald dat eiser vanaf 16 maart 2022 (de datum in geding) recht heeft op een Waz-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. De voor dit beroep relevante wettelijke bepalingen bevinden zich in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
6. Eiser stelt dat het verslag van de hoorzitting te summier en daarmee onzorgvuldig is. De hoorzitting heeft een uur geduurd en dit alles is slechts weergegeven in een kwart A-4. De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog. In artikel 7:7 van Pro de Awb staat dat van de hoorzitting een verslag wordt opgemaakt. De vorm waarin dit verslag wordt opgemaakt staat niet verder gedefinieerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verslaglegging als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Awb daarom op verschillende manieren worden vormgegeven. [1] Dat de hoorzitting een uur heeft geduurd, terwijl de omvang van het verslag beperkt is gebleven, maakt op zichzelf niet dat het verslag onjuist. Het is aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep om de relevante medische gegevens, die bij een hoorzitting naar voren zijn gebracht, weer te geven. Een hoorzitting biedt de gelegenheid standpunten uit te wisselen en waar nodig te verhelderen. Daar komt bij dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep een samenvatting bevat van de gegevens uit het primaire dossier, een samenvatting van de gegevens van de behandelend sector en een verslaglegging van wat feitelijk besproken is tijdens de hoorzitting. Het UWV mocht terecht het standpunt innemen dat er geen aanleiding bestond de reeds in het rapport van 15 juli 2025 opgenomen medische informatie nogmaals in het verslag van de hoorzitting op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen twijfel over de juistheid van de inhoud van het verslag van de hoorzitting en is er geen aanleiding om aan te nemen dat het verslag onzorgvuldig tot stand is gekomen.
7. Eiser stelt verder dat hij na de hoorzitting in de gelegenheid had moeten worden gesteld een zienswijze in te brengen, voordat het bestreden besluit werd genomen. Ook stelt hij dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten onrechte niet aanwezig was bij de hoorzitting. De rechtbank volgt eiser niet in deze stellingen. Artikel 7:9 van Pro de Awb schrijft voor dat wanneer, na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord. Anders dan eiser stelt, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat het bestreden besluit in strijd met deze bepaling is genomen. In bezwaar hebben geen wijzigingen in de medische en arbeidskundige conclusies plaatsgevonden. De belastbaarheid in arbeid en de geselecteerde functies zijn hetzelfde gebleven. Het UWV heeft eiser daarom geen mogelijkheid hoeven bieden om na de hoorzitting een zienswijze in te brengen voor het nemen van het bestreden besluit. Dat de arbeidsdeskundige niet bij de hoorzitting aanwezig was, maakt de heroverweging in bezwaar op deze punten niet onzorgvuldig. Er is geen rechtsregel die vereist dat een arbeidsdeskundige aanwezig dient te zijn bij de hoorzitting.
8. Ten aanzien van de medische beoordeling stelt eiser dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn beperkingen heeft onderschat. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 15 juli 2026 inzichtelijk heeft toegelicht dat geen sprake is van een situatie van volledige arbeidsongeschiktheid, nu eiser niet bedlegerig, ADL-afhankelijk, opgenomen in een zorginstelling of terminaal is en er ook geen sprake is van een onvermogen tot persoonlijk of sociaal functioneren of dat langere tijd sprake is van een situatie dat eiser niet zelfredzaam is of zal worden. Het UWV heeft daarom terecht een FML opgesteld. Om te beoordelen of de beperkingen gelet op artikel 13, tweede lid, van de Waz voortkomen uit dezelfde of uit een andere oorzaak heeft het UWV terecht twee functionele mogelijkhedenlijsten opgesteld, waarvan één FML ziet op de toename van beperkingen op grond van reeds eerder beoordeelde ziekte en gebreken en de tweede FML ziet op beperkingen uit nieuwe ziekte en gebreken.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 15 juli 2025 daarnaast voldoende duidelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat verdergaande beperkingen aan te nemen in de FML en zijn eisers mogelijkheden en beperkingen correct vastgesteld. Eiser is eerder in het kader van de Waz beoordeeld waarbij beperkingen zijn vastgesteld voor cardiovasculaire klachten en klachten aan het bewegingsapparaat. Op beide vlakken heeft de primaire verzekeringsarts een toename van beperkingen gezien. Deze beperkingen zijn vastgelegd in de FML van 10 januari 2024. Eiser heeft op 29 april 2026 veel nadere medische stukken ingediend. Op zitting heeft de gemachtigde van eiser onder meer verwezen naar een rapportage van medisch adviseur [naam 2] van 23 november 2013, waaruit zou blijken dat sprake is van veel meer beperkingen dan het UWV heeft vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met het rapport van 21 mei 2026 naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd toegelicht dat deze medische informatie geen aanleiding geeft voor het vaststellen van meer beperkingen, mede gelet op het tijdsverloop tussen het door [naam 2] verrichte onderzoek en de datum in geding (16 maart 2022) en de aard van de aanvraag (een toename van klachten uit dezelfde ziekteoorzaak). De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat meer waarde aan het rapport van [naam 2] zou moeten worden toegekend, dan aan de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep omdat [naam 2] hem wel medisch heeft onderzocht en de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit niet heeft gedaan. Het door [naam 2] verrichte onderzoek, waarvan op 23 november 2013 een rapport is uitgebracht, is verricht op verzoek van een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekeraar. Dit betreft een ander beoordelingskader dan dat van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die een beoordeling in het kader van de Waz heeft verricht. Er is daarom geen aanleiding voor de conclusie dat eisers mogelijkheden en beperkingen onjuist zijn vastgesteld.
9. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling heeft eiser aangevoerd dat de functie medewerker binderij (SBC-code 268030) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) voor hem ongeschikt zijn omdat in deze functies moet worden gewerkt met gevaarlijke machines. In de functie medewerker binderij wordt gewerkt met een snijmachine en in de functie productiemedewerker industrie met een soldeerbout. Eiser wijst daarbij ook op de Resultaat functiebeoordeling, waarin staat vermeld dat het werken met een soldeerbout valt onder de noemer gevaarlijke machines. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 3 oktober 2025 voldoende gemotiveerd toegelicht dat de functies medewerker binderij en productiemedewerker industrie geschikt zijn voor eiser. Over de snijmachine waarmee in de functie medewerker binderij wordt gewerkt, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat deze beveiligd is en dat het daarmee geen gevaarlijke machine betreft. Ten aanzien van de functie productie medewerker industrie heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in de rapportage van 3 oktober 2025 gemotiveerd uiteengezet dat een soldeerbout een gereedschap is en geen machine, en dat daarmee geen sprake is van het werken met gevaarlijke machines. Dat in de toelichting in de resultaat functiebeoordeling van 29 januari 2024 staat vermeld: “
Geschikt omdat: werken met soldeerbout valt onder de noemer gevaarlijke machines of op hoogte werken,” wordt - mede gelet op de toelichting van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep - aangemerkt als een kennelijke verschrijving, waarbij het woord “niet” is weggevallen. Deze functies zijn dus geschikt voor eiser.
10.1.
Ten aanzien van de functie administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100) stelt eiser dat met deze functie zijn belastbaarheid wordt overschreden omdat in de functie sprake is van verbale agressie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd toegelicht dat deze functie past binnen eisers belastbaarheid. Eiser wordt in staat geacht telefonisch en schriftelijk om te gaan met conflicten. In de functie van administratief ondersteunend medewerker gaat de belasting niet verder dan het telefonisch omgaan met conflicten. De functie is daarmee geschikt voor eiser.
10.2.
Ten aanzien van de functie productiemedewerker textiel (SBC-code 272043) heeft eiser aangevoerd dat deze functie voor hem niet geschikt omdat met deze functie zijn belastbaarheid voor het dragen van zware voorwerpen wordt overschreden. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd heeft toegelicht dat deze functie past binnen eisers belastbaarheid. Eiser kan 10 kilogram tillen. De zwaarste belasting binnen deze functie is 10 kilogram en valt dus binnen de belastbaarheid. Daarnaast is het mogelijk om 10 kilogram met een kar te dragen, waarbij indien nodig met een werknemersvoorziening kan worden geregeld dat een kar exclusief voor eiser beschikbaar is. De functie is dus geschikt voor eiser.
10.3.
Ten aanzien van de functie telefonist centrale, medewerker callcenter (inbound) (SBC-code 315174) heeft eiser aangevoerd dat de functie volgens de resultaat functiebeoordeling onder meer bestaat uit het voeren van gesprekken van minimaal 1 tot maximaal 30 minuten. Eiser stelt dat hij op dit punt beperkt is en wijst daarvoor op de FML waarin staat vermeld dat hij slechts oppervlakkige en/of kortdurend klantcontact aan kan. De rechtbank overweegt dat eiser volgens de FML van 20 januari 2024 beperkt is op punt 2.12 in de FML en daarmee onder meer aangewezen is op werk waarin doorgaans geen (rechtstreeks) contact met klanten vereist is. Daarbij is als toelichting gegeven dat eiser oppervlakkige en/of kortdurend klantcontact wel aan kan. Daarnaast wordt eiser in staat geacht telefonisch te kunnen omgaan met conflicten (punt 2.8 van de FML). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd toegelicht dat het in de functie telefonist centrale, medewerker callcenter (inbound) slechts gaat om telefonische contacten met klanten, waarvoor eiser niet beperkt is. Dat eiser op punt 2.12 is beperkt tot oppervlakkig en kortdurend klantcontact, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het handboek ‘Basisinformatie CBBS [2] ’ volgt dat telefonisch contact met een klant niet onder dit beoordelingspunt valt. Deze functie is daarmee geschikt voor eiser.
10.4.
Ten aanzien van de functie telefonisch verkoper (outbound) (SBC-code 315173) heeft eiser aangevoerd dat de functieomschrijving in het CBBS niet actueel is. Deze functie is geactualiseerd op 6 oktober 2023 en in de beschrijving van deze functie staat onder meer vermeld dat volgens de richtlijnen van de Telecommunicatiewet dient te worden gewerkt, waaronder met het Bel-me-niet-register en het recht op verzet. Het Bel-me-niet-register is echter sinds 2021 opgehouden te bestaan.
10.4.1.
Dit betoog slaagt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft zijn beoordeling over eisers geschiktheid voor de functie telefonisch verkoper (outbound) gebaseerd op de gegevens uit het CBBS. Volgens vaste rechtspraak [3] dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens in het CBBS. Daarbij geldt dat een uitzondering op die regel aangewezen kan zijn indien een betrokkene erin slaagt om de juistheid van de aan het CBBS ontleende gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd te bestrijden of indien de rechter zelf twijfelt aan de juistheid van deze gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat kan worden getwijfeld aan de juistheid van de gegevens uit het CBBS over deze functie omdat in deze functie die op 6 oktober 2023 is geactualiseerd nog staat vermeld dat onder meer met het Bel-me-niet-register moet worden gewerkt, terwijl dit register sinds 2021 is opgehouden te bestaan. Deze functie dient daarmee buiten beschouwing te worden gelaten.
11. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids- [4] en motiveringsbeginsel. [5]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, maar laat de rechtsgevolgen in stand. [6] Weliswaar is een functie komen te vervallen, maar er blijven nog steeds minimaal drie geschikte functies over, waarbij de mediaanfunctie gelijk is gebleven. Concreet betekent dit voor eiser dat hij op basis van de arbeidskundige beoordeling nog steeds geschikt wordt geacht om passende arbeid te verrichten, en nog steeds arbeidsongeschikt is naar een mate van 45 – 55%.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser het griffierecht terug. Ook krijgt hij een vergoeding van de gemaakte proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. [7]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 2025;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: relevante wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 7:7
Van het horen wordt een verslag gemaakt.
Artikel 7:9
Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz)
Artikel 13. Herziening bij minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
1. Ter zake van toeneming van de arbeidsongeschiktheid vindt herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 45%, onverminderd de artikelen 15 en 16, plaats zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken 52 weken heeft geduurd.
2. De in het eerste lid bedoelde herziening vindt niet plaats, indien de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.
3. Indien de uitkeringsgerechtigde bij het intreden van de toeneming van de arbeidsongeschiktheid of in de 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan de toeneming van de arbeidsongeschiktheid arbeid verricht of heeft verricht als bedoeld in artikel 7, eerste lid, vindt de in het eerste lid bedoelde herziening plaats, ook indien de toeneming kennelijk is voortgekomen uit een andere oorzaak dan die waaruit de ongeschiktheid ter zake waarvan uitkering wordt genoten, is voortgekomen.
4. Voor het bepalen van het tijdvak van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, worden perioden van toegenomen arbeidsongeschiktheid samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:18 of Pro 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak. Bij de vaststelling van het tijdvak van 52 weken blijven perioden, waarin uitkering in verband met zwangerschap of bevalling op grond van artikel 3:18 of Pro 3:30, eerste lid, van de Wet arbeid en zorg wordt genoten, buiten beschouwing.

Voetnoten

2.CBBS = Claimbeoordelings- en Borgingssysteem
4.Artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
6.Met toepassing van artikel 8:72, eerste en derde lid, onder a, van de Awb.
7.Deze vergoeding is vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).