ECLI:NL:RBROT:2026:84

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
24/9851
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete voor overtreding van de Wet dieren en de Regeling dierlijke producten met betrekking tot traceerbaarheid van levensmiddelen

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 12 januari 2026, met zaaknummer ROT 24/9851, wordt een boete van € 5.000,- opgelegd aan eiseres voor overtredingen van de Wet dieren en de Regeling dierlijke producten. De zaak betreft een controle door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 1 december 2023, waarbij geconstateerd werd dat levensmiddelen niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie traceerbaar waren. Eén krat pluimveevlees ontbrak een etiket, terwijl andere kratten onjuiste etiketten hadden. Eiseres kon niet aantonen wie de levensmiddelen had geleverd en heeft pas acht maanden na de inspectie informatie verstrekt. De rechtbank oordeelt dat de boete terecht is opgelegd, omdat eiseres niet voldeed aan de traceerbaarheidseisen van artikel 18 van Verordening 178/2002 en artikel 6.2 van de Wet dieren. Eiseres voerde aan dat de boete gematigd moest worden, maar de rechtbank oordeelt dat de ernst van de overtredingen en het structurele karakter ervan een hogere boete rechtvaardigen. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9851

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. A.M.H. van de Wal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 5.000,- die verweerder met het besluit van 29 maart 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 september 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Namens eiseres is niemand verschenen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 21 december 2023 is opgemaakt door twee toezichthouders van de NVWA. De toezichthouders schrijven in het rapport over hun controle bij eiseres op 1 december 2023 onder meer het volgende.

Tijdens de fysieke inspectie op vrijdag 1 december 2023, maakten wij, toezichthouders 39258 en 39268 een rondgang door het bedrijf. Tijdens de rondgang werden wij vergezeld door [naam], kwaliteitsmanager en een recent aangestelde kwaliteitsmedewerker van het bedrijf.
Overtreding:
Tijdens de inspectie zag ik, toezichthouder 39258, in een gekoelde opslaghal waar het bedrijf partijen pluimveevlees opslaat een zwarte pallet staan. Op deze pallet stonden meerdere draadkratten opgestapeld met daarin pluimveevlees dat was omsloten door blauwe plastic kratzakken, zie foto 1 van de fotobijlage toegevoegd als bijlage 1 aan dit rapport. Bij het nader bekijken van deze kratten zag ik, toezichthouder 39258, dat er etiketten op de kratzakken aangebracht waren door [eiseres], zie foto 2 van de fotobijlage. De etiketten vermeldde het EG erkenningsnummer van [eiseres] in ovaal, waardoor ik zag dat het vlees bestemd was voor menselijke consumptie. Op het etiket las ik:
"KIPSHOARMA
Productiedatum: 01-12-2023
Te gebruiken tot: 11-12-2023 Gehouden in: NL
Bewaartemp: 0-4 Geslacht: NL
Partijcode: 231201001 Netto: 8,000 KG
"
Bij het nader bekijken van een van de stapels kratten zag ik, toezichthouder 39258, dat de kratten op deze stapel een ijslaag aan de buitenzijden hadden, zie foto 3 van de fotobijlage. Toen ik, toezichthouder 39258, een blote hand aan de buitenzijde van de kratzakken neerlegde, voelde ik dat het pluimveevlees stijf en koud aanvoelde. Desgevraagd tilde de kwaliteitsmedewerker die ons tijdens de rondgang vergezelde de bovenste krat van de stapel op. Ik, toezichthouder 39258, zag dat de krat die zich onder de bovenste bevond niet geëtiketteerd was en dat daarop ook geen andere vorm van referentie was aangebracht, zie foto 4 van de fotobijlage.
Desgevraagd vertelde de kwaliteitsmanager dat dit pluimveevlees geproduceerd was uit een, op de dag van de inspectie, geproduceerde partij met batchcode 231201001 zoals op de etiketten vermeld stond.
Toen toezichthouder 39268 aan de kwaliteitsmanager vroeg of deze levensmiddelen dan op de dag van de fysieke inspectie geproduceerd, ingevroren en deels weer ontdooid waren, antwoordde de kwaliteitsmanager dat dat niet mogelijk was. De kwaliteitsmanager heeft aan de medewerkers van het bedrijf nagevraagd wat de reden was dat op deze partij etiketten met daarop een productiedatum en partijcode van 01 december 2023 aangebracht was. Hier kreeg zij van de medewerkers geen antwoord op. Hieruit bleek mij, toezichthouder 39258, dat de partijcode die op deze partij aangebracht was niet de juistepartijcode was.
Er werd niet duidelijk wanneer bovengenoemde levensmiddelen geproduceerd waren en uit welke aangeleverde partijen deze levensmiddelen geproduceerd waren. Ook het aanleveren van documentatie zou dit niet aan kunnen tonen vanwege de foutief aangebrachte partijcode. Hierdoor kon er geen koppeling gemaakt worden met aangeleverde partijen door een leverancier.
Levensmiddelen die bestemd zijn om in een levensmiddel te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin worden verwerkt, dienen in alle stadia van de productie en verwerking traceerbaar te zijn.
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten kunnen nagaan wie hun levensmiddelen, die bestemd zijn als levensmiddelen of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin worden verwerkt, heeft geleverd.
Levensmiddelen die in de Gemeenschap op de markt worden of vermoedelijk zullen worden gebracht, dienen met het oog op hun traceerbaarheid adequaat geëtiketteerd te worden.
Uit bovenstaande blijkt dat werd gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 18 lid 1, lid 2 en lid 4 van Verordening (EU) nr. 178/2002 hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4 lid 1 onder b. van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 6.2 lid 1 van de Wet dieren.
Tijdens eerdere inspecties in 2022 en 2023, zijn meerdere partijen aangetroffen die niet adequaat geëtiketteerd waren en daardoor niet traceerbaar waren. De NVWA heeft hiervoor eerder maatregelen genomen met de nummers 172907/138139, 176659/145175 en 179757/149270 en 181320/149950. De tekortkomingen zijn daarmee geen incident en structureel van aard en worden beschouwd als ernstig.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres drie beboetbare feit heeft gepleegd.
3.2.1.
Beboetbaar feit 1: Levensmiddelen waren niet in alle stadia van de productie, verwerking en distributie traceerbaar.
3.2.2.
Beboetbaar feit 2: De exploitant van een levensmiddelenbedrijf beschikt niet over systemen en procedures waarmee kan worden vastgesteld wie de levensmiddelen heeft geleverd. Deze informatie kon niet op verzoek aan de bevoegde autoriteiten worden verstrekt.
3.2.3.
Beboetbaar feit 3: Levensmiddelen of diervoeders die in de Gemeenschap op de markt worden of vermoedelijk zullen worden gebracht, werden niet met het oog op hun traceerbaarheid adequaat geëtiketteerd of gekenmerkt door middel van relevante documentatie of informatie overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van meer specifieke bepalingen.
3.2.4.
Volgens verweerder heeft eiseres met deze drie beboetbare feiten een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, onder b, van de Regeling dierlijke producten, en met artikel 18, eerste, tweede en vierder lid, van Verordening 178/2002 [1] .
Verweerder heeft eiseres voor deze drie feiten een boete opgelegd van € 5.000,- waarbij verweerder er rekening mee heeft gehouden dat sprake is van samenhang tussen de drie feiten.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiseres de overtreding begaan en heeft verweerder dit voldoende gemotiveerd?
4. Eiseres voert aan dat in het boetebesluit en het rapport van bevindingen onvoldoende is gemotiveerd waarom eiseres de overtredingen zou hebben begaan. Er wordt slechts de tekst van wettelijke voorschriften aangehaald, zonder een beschrijving van de concrete handelingen van eiseres en een motivering waarom die tot overtredingen leiden. Voorts is er sprake van niet meer dan een vermoeden van verweerder dat een overtreding is begaan, aangezien verweerder heeft geconstateerd dat het blijvend onmogelijk is om een traceerbaarheidsgebrek weg te nemen met het aanleveren van nadere documentatie. Daarbij kan het aanleveren van aanvullende informatie wel degelijk het vermoeden van een overtreding wegnemen, zoals in dit geval ook is gebeurd. In bezwaar heeft eiseres die informatie verstrekt. Zij heeft toegelicht dat ingevroren kipshoarma altijd afkomstig is van een externe leverancier, dat voorafgaande aan de inspectie partijen kipshoarma door externe leveranciers waren geleverd op 15 juni 2023, 13 mei 2022 en 27 december 2020 en dat gezien de verwerkingstijd de aangetroffen partij de levering van 15 juni 2023 moet betreffen. Eiseres heeft in bezwaar aan verweerder de factuur, afleverbon en weeglijst van die levering overgelegd, evenals een overzicht van leveringen van die partij door eiseres en een voorraadlijst. Ongeacht of het etiket op het product onjuist of verwijderd was, kon de herkomst en bestemming worden achterhaald en daarmee is geen sprake van een overtreding van Verordening 178/2002. Eiseres verwijst daarbij naar overwegingen 27 tot en met 30 van de considerans van deze verordening waaruit volgt dat als levensmiddelenbedrijven de herkomst van een partij kunnen aantonen, zij voldoen aan de traceerbaarheidsbepalingen. Voorts is in artikel 18 van deze verordening geen termijn opgenomen voor het aanleveren van informatie en geldt evenmin een verplichting tot interne traceerbaarheid. Verweerder verwijst ten onrechte naar de Richtsnoeren [2] , nu daaruit evenmin volgt dat direct sprake is van een onherstelbare overtreding als ten tijde van de inspectie een bedrijf geen stukken kan overleggen. Overigens hebben de Richtsnoeren ook geen formele rechtskracht. Dat volgens verweerder in bezwaar geen bewijsstukken meer kunnen worden overgelegd is bovendien in strijd met de rechtsbescherming die eiseres toekomt bij een bestraffende instantie [3] , aldus eiseres.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is in het boetebesluit en rapport van bevindingen voldoende duidelijk beschreven en gemotiveerd welke overtredingen eiseres worden verweten. Dat slechts wettelijke voorschriften zouden zijn benoemd, volgt de rechtbank niet. De concrete gedragingen van eiseres die aan de overtredingen ten grondslag liggen, zijn in het rapport van bevindingen ook duidelijk beschreven. In het rapport schrijven de toezichthouders dat één krat met pluimveevlees geen etiket bevatte en andere kratten met pluimveevlees een onjuist etiket bevatten. De toezichthouders concluderen daaruit dat niet duidelijk was wanneer de levensmiddelen geproduceerd waren en uit welke aangeleverde partijen ze afkomstig waren. In het rapport van bevindingen schrijven de toezichthouders dat er geen koppeling gemaakt kon worden met een leverancier en dat de levensmiddelen dus niet traceerbaar waren. Daarmee is voldoende duidelijk welke handelingen hebben geleid tot de conclusie van verweerder dat eiseres overtredingen van Verordening 178/2002 heeft begaan. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar stelling dat slechts sprake is van een vermoeden van een overtreding. Uit het rapport en de besluiten blijkt duidelijk dat verweerder vindt dat eiseres de overtredingen heeft begaan en niet dat verweerder dit veronderstelt.
4.2.
Niet in geschil is dat op kratten pluimveevlees onjuiste etiketten zaten en bij één krat een etiket ontbrak. Verweerder heeft daaruit terecht geconcludeerd dat het vlees niet traceerbaar was. Vast staat dat eiseres met deze onjuiste en ontbrekende etikettering niet voldeed aan artikel 18, vierde lid, van Verordening 178/2002 waarin is voorgeschreven dat levensmiddelen met het oog op hun traceerbaarheid adequaat geëtiketteerd of gekenmerkt moeten zijn. Of eiseres naderhand nog informatie over de herkomst van het pluimveevlees kan leveren, kan niet aan deze vaststelling over de etikettering afdoen. Voorts volgt uit artikel 18, eerste en tweede lid, van Verordening 178/2002 dat levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie traceerbaar moeten zijn, dat levensmiddelenbedrijven moeten beschikken over systemen waarmee kan worden vastgesteld wie hun levensmiddelen heeft geleverd en dat deze informatie op verzoek aan de bevoegde autoriteiten wordt verstrekt. Vast staat dat ten tijde van de inspectie eiseres niet aan deze voorschriften voldeed omdat het pluimveevlees niet traceerbaar was en eiseres geen informatie kon geven over de herkomst van dit vlees. Eiseres verwijst naar de informatie die zij in bezwaar heeft verstrekt, maar daaraan gaat verweerder terecht voorbij. Los van de vraag of met deze informatie de herkomst van het vlees wel kan worden vastgesteld, is het in elk geval veel te laat ingebracht. Verweerder wijst er terecht op dat een traceringssysteem pas naar behoren functioneert als snel en accuraat aangetoond kan worden van wie de levensmiddelen afkomstig zijn. In het verweerschrift is het voorbeeld genoemd van een uitbraak van een door voedsel overgedragen ziekte veroorzaakt door salmonella of e. coli. Evident is dat in een dergelijk geval snel gehandeld moet worden. Wanneer een levensmiddel niet snel traceerbaar is naar de bron, bestaat het risico dat ongeschikt voedsel verder de keten in gaat en door consumenten wordt geconsumeerd met gezondheidsrisico’s tot gevolg. Ter zitting heeft verweerder verwezen naar de ‘Beleidsregel nadere invulling Verordening (EG) 178/2002’ [4] waarin is opgenomen dat een bedrijf binnen vier uur de door de NVWA gevraagde informatie, waaronder gegevens van de leverancier van de producten, moet kunnen aanleveren. Eiseres kon ten tijde van de inspectie de gevraagde informatie niet aanleveren en evenmin is gebleken dat zij toen een aanbod aan de toezichthouder heeft gedaan om de gegevens op korte termijn alsnog aan te leveren. Pas acht maanden na de inspectie heeft eiseres getracht de gevraagde informatie aan te leveren. Dat is in elk geval te laat. Deze tegenwerping is ook niet in strijd met de rechtsbescherming, nu het informatie betreft die eiseres op grond van haar wettelijke verplichting diende te verstrekken. Het gaat in dit geval niet om nader bewijs voor de vraag of eiseres (maanden eerder) een overtreding heeft begaan. De mogelijkheid om dat bewijs te leveren heeft eiseres gekregen, maar uit wat zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd en overgelegd kan niet worden geconcludeerd dat eiseres de overtredingen niet heeft begaan.
Had verweerder moeten volstaan met een waarschuwing?
6. Eiseres voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een waarschuwing. Verweerder heeft de geconstateerde overtredingen ten onrechte ingedeeld in de klasse ‘zwaar’ en categorie B. Uit het algemeen interventiebeleid [5] en het toepasselijk specifiek interventiebeleid [6] volgt dat het dan moet gaan om overtredingen met (mogelijk) ernstige gevolgen voor de voedselveiligheid en een direct aantoonbaar onveilige situatie met gevolgen voor de consument. Daarvan is bij het niet voldoen aan de traceerbaarheidsbepalingen geen sprake. [7]
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze overtredingen van artikel 18 van Verordening 178/2002 terecht aangemerkt als zware overtredingen, categorie B. Zoals hiervoor is overwogen kan onveilig of ongeschikt vlees vanwege het ontbreken van traceerbaarheid terecht komen bij de consument met gezondheidsrisico’s tot gevolg. Of daarvan in dit geval sprake was, is niet relevant. Het risico op die ernstige gevolgen is voldoende om de overtredingen als zwaar te classificeren. Bovendien is in het rapport van bevindingen vastgesteld dat eiseres vaker niet heeft voldaan aan haar verplichtingen inzake traceerbaarheid, zodat verweerder ook terecht wijst op het structurele karakter van de overtredingen en deze terecht schaart onder categorie B. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in overeenstemming met zijn algemeen en specifiek interventiebeleid een boete opgelegd. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond waarom verweerder in dit geval met een waarschuwing had moeten volstaan.
Heeft verweerder terecht een boete van € 5.000,- opgelegd?
7. Eiseres voert aan dat verweerder de boete had moeten matigen op grond van artikel 2.3 van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren (Besluit handhaving). Voorts moet het boetebeleid van verweerder buiten toepassing worden gelaten, omdat daarin onvoldoende wordt gedifferentieerd naar de mate van verwijtbaarheid, terwijl dit volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [8] zou moeten. Gelet op artikel 5:46, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient de boete te worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. In het geval van eiseres dient de boete te worden gematigd tot 25 % dan wel 50 % van het standaardboetebedrag omdat sprake is van verminderde en hoogstens normale verwijtbaarheid en niet van opzet of grove schuld. Daarbij merkt eiseres op dat zij continu medewerking heeft verleend aan de toezichthouders, hoge kosten heeft gemaakt om haar bedrijfsvoering te verbeteren en doeltreffende maatregelen heeft genomen om herhaling te voorkomen. Voorts moet de boete verder worden gematigd omdat het gaat om een zeer geringe overtreding en eiseres door de boete ernstig in haar bedrijfsvoering wordt geraakt. Daarbij moet worden betrokken dat eiseres meerdere boetes zijn opgelegd en de cumulatie daarvan maakt de boete onevenredig, aldus eiseres.
7.1.
In de Bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtredingen vastgesteld op € 2.500,-. Verweerder heeft volstaan met de oplegging van één boete voor de drie feiten en heeft het bedrag verhoogd naar € 5.000,- omdat sprake is van recidive. Dit is in overeenstemming met artikel 2.5 van het Besluit handhaving. Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder a, van het Besluit handhaving wordt de boete gehalveerd als de risico’s of gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid gering zijn of ontbreken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geen toepassing gegeven aan dit voorschrift. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de risico’s voor de volksgezondheid ernstig als tracering van pluimveevlees ontbreekt. Ten aanzien van de verwijtbaarheid overweegt de rechtbank dat het beroep van eiseres op uitspraken van de Afdeling niet slaagt omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. In de zaken waarin de Afdeling uitspraak heeft gedaan was de hoogte van de boete gebaseerd op beleid en dus artikel 5:46, tweede lid, van de Awb van toepassing. De boetehoogtes voor overtredingen van de Wet dieren zijn echter bij wettelijk voorschrift vastgesteld en dus is artikel 5:46, derde lid, van de Awb van toepassing. Daarnaast is het boetestelsel waarover de Afdeling uitspraak heeft gedaan niet vergelijkbaar met het boetstelsel dat hier van toepassing is, nu in de onderhavige boetesystematiek een normale verwijtbaarheid het uitgangspunt is (en niet opzet) en de boetebedragen daar op zijn afgestemd. Wel kan in een voorkomend geval aanleiding bestaan om op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb de boete te matigen vanwege de bijzondere omstandigheid dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid, maar de rechtbank is daarvan in dit geval niet gebleken. De onjuiste en ontbrekende etikettering en het niet kunnen verstrekken van herkomstinformatie van het vlees kan eiseres volledig worden verweten. Ook overigens ziet de rechtbank in de door eiseres aangevoerde omstandigheden geen reden voor matiging van de boete. Zoals hiervoor is overwogen zijn de overtredingen vanwege de risico’s voor de volksgezondheid niet als gering te kwalificeren. Ook is door eiseres niet onderbouwd – ook niet na daartoe in bezwaar gevraagd – dat zij door de boete onevenredig hard wordt getroffen. Dat eiseres voor andere overtredingen op andere momenten ook boetes heeft gekregen, maakt de onderhavige boete evenmin onevenredig. De rechtbank vindt de boete van € 5.000,-, gelet op de aard en ernst van de overtreding en de omstandigheid dat sprake is van recidive, in dit geval evenredig.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is dus ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:46, tweede en derde lid

2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Verordening 178/2002

Artikel 18, eerste, tweede en vierde lid
Traceerbaarheid
Levensmiddelen, diervoeders, voedselproducerende dieren en alle andere stoffen die bestemd zijn om in een levensmiddel of diervoeder te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin worden verwerkt, zijn in alle stadia van de productie, verwerking en distributie traceerbaar.
De exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven moeten kunnen nagaan wie hun levensmiddelen, diervoeders, voedselproducerende dieren of andere stoffen die bestemd zijn om in levensmiddelen of diervoeders te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin worden verwerkt, heeft geleverd.
Hiertoe moeten deze exploitanten beschikken over systemen en procedures met behulp waarvan deze informatie op verzoek aan de bevoegde autoriteiten kan worden verstrekt.
4. Levensmiddelen of diervoeders die in de Gemeenschap op de markt worden of vermoedelijk zullen worden gebracht, worden met het oog op hun traceerbaarheid adequaat geëtiketteerd of gekenmerkt door middel van relevante documentatie of informatie overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van meer specifieke bepalingen.

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.
Artikel 8.8, eerste lid
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.

Regeling dierlijke producten

Artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder b

1. Voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet zijn:
b. de artikelen 14, 17, eerste lid, 18 en 19 van verordening (EG) nr. 178/2002;

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.2, eerste en onder c, en derde lid

1. De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
c. categorie 3: € 2.500
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.
Artikel 2.3, aanhef en onder a
Indien de risico’s of de gevolgen van een overtreding voor de volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of milieu:
a. gering zijn of ontbreken, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gehalveerd;
Artikel 2.5, eerste lid
Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.

Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 1.2
De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Regeling dierlijke producten Categorie
Artikel 2.4, eerste lid, onderdeel b 3

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden
2.Richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 11, 12, 14, 17, 18, 19 en 20 van Verordening (EG) nr. 178/2002 betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving
3.Eiseres verwijst naar meerdere uitspraken, o.a. ECLI:NL:RVS:2023:2691, ECLI:NL:RVS:2019:2952, ECLI:NL:CBB:2021:1016. en ECLI:NL:RBROT :2024:6230
4.Staatscourant 2022, 16878 (26 juni 2022)
5.Algemeen interventiebeleid NVWA 2024
6.Specifiek interventiebeleid Vlees, IB01-SPEC 25, versie 01
7.Eiseres verwijst naar ECLI:NL:CBB:2017:6, r.o. 6.3.2.
8.Eiseres verwijst naar ECLI:NL:RVS:2022:1973