ECLI:NL:RBROT:2026:8482

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/170
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 6.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing te late aanvraag compensatie Wet hersteloperatie toeslagen

Eiser diende op 15 mei 2024 een aanvraag in voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), maar deze werd afgewezen omdat de aanmeldtermijn tot 2 januari 2024 was verstreken. De Dienst Toeslagen handhaafde dit besluit na bezwaar. Eiser stelde dat hij niet tijdig kon aanvragen vanwege onduidelijkheid over de voorwaarden en gebreken in de communicatie met de Belastingdienst.

De rechtbank oordeelde dat de aanvraagtermijn dwingend is en dat alleen in bijzondere, schrijnende omstandigheden van deze termijn kan worden afgeweken. Eiser kon niet aantonen dat hij zich niet tijdig kon aanmelden; zijn stelling over een gemist telefoongesprek werd niet ondersteund door bewijs. Bovendien had hij na september 2023 zelf alert moeten zijn en eerder een aanvraag kunnen indienen.

De rechtbank concludeerde dat er geen verschoonbare termijnoverschrijding was en wees het beroep af. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter A.J. van Spengen op 14 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de te late aanvraag compensatie wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/170

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), omdat hij deze te laat heeft ingediend. Eiser betoogt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor hij niet in staat was tijdig een aanvraag te doen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 15 mei 2024 een aanvraag ingediend voor compensatie op grond van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag zonder inhoudelijke beoordeling met het besluit van 10 september 2024 (het primaire besluit) afgewezen, omdat eiser zijn aanvraag te laat heeft ingediend.
2.1.
Met het besluit van 12 december 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De Dienst Toeslagen heeft het bestreden besluit als volgt gemotiveerd. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht was aanmelding voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag mogelijk tot en met 2 januari 2024. Eiser heeft zich pas op
15 mei 2024 aangemeld bij de Dienst Toeslagen. Dat is te laat. Er is geen sprake van een bijzondere situatie die maakt dat eiser zich niet tijdig heeft kunnen aanmelden.
4. Eiser voert in beroep aan dat hij niet op de hoogte was van de voorwaarden van het herstelproces, waardoor het voor hem niet duidelijk was of hij in aanmerking zou kunnen komen voor de hersteloperatie. Op de website van de Belastingdienst was aangegeven dat het herstelproces vooral bedoeld was voor ouders die gebruik maakten van gastouderopvang. Omdat eiser daar geen gebruik van had gemaakt, dacht hij aanvankelijk dat hij niet voor herstel in aanmerking kwam en heeft hij geen verdere stappen ondernomen. Eiser heeft in september 2023 contact opgenomen met de Uitvoeringsdienst Herstel Toeslagen (UHT), omdat hij ontdekt had dat de herstelmogelijkheid ook gold voor ouders wiens kinderopvangtoeslag ten onrechte is stopgezet. Eiser is daarna niet meer teruggebeld door UHT, wat wel was afgesproken. In maart 2024 heeft eiser weer contact opgenomen met UHT, om te vragen waarom hij niet is teruggebeld. Daarbij werd hem medegedeeld dat geen details terug te vinden waren van het eerdere contact. Eiser stelt dat sprake is van gebreken in het systeem, ook omdat de Belastingdienst hem ten onrechte heeft aangemerkt als iemand die zes jaar lang in het buitenland heeft gewoond.
5. De rechtbank beoordeelt of de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen op de grond dat deze te laat is ingediend.
6. Een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht moest voor 1 januari 2024 zijn ingediend. [1] Deze aanvraagtermijn is door de wetgever dwingend geformuleerd. Een motie om de aanvraagtermijn te schrappen is door de Tweede Kamer verworpen. Het kabinet achtte de termijn van ruim drie jaar redelijk en stelde dat het schrappen van de aanmelddatum tot ongewenste effecten leidt omdat dit tot gevolg zou hebben dat ouders die zich al hebben aangemeld, langer moeten wachten.
7. Dat laat onverlet dat het kabinet wel van mening was dat ouders die zich in een bijzondere situatie bevinden, waardoor het niet mogelijk was zich eerder aan te melden en die zich in een schrijnende situatie bevinden, de kans moeten hebben hun zaak te laten beoordelen. [2] Daarom moet volgens het kabinet in gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, beoordeeld worden of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De ouder dient dan aan te geven waarom het niet is gelukt om zich tijdig aan te melden en in welke schrijnende situatie de ouder zich bevindt. De mogelijkheid om af te wijken van de aanmeldtermijn volgt uit de hardheidsclausule, waarin de mogelijkheid is geboden om van de gestelde termijn af te wijken voor zover de toepassing gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [3] Omdat het bij de Wht om een eenmalige aanvraag gaat waarin herstel van door de overheid toegebracht onrecht centraal staat, acht de rechtbank een zeer terughoudende uitleg van de hardheidsclausule niet passend. De rechtbank moet per concreet geval toetsen of, gelet op de aard van deze bijzondere regeling, de mate van termijnoverschrijding en de door de betreffende ouder genoemde redenen, de termijnoverschrijding verschoonbaar is. [4]
8. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in het geval van eiser geen zodanig bijzondere omstandigheden die afwijking van de aanmeldtermijn op grond van de hardheidsclausule rechtvaardigen. De stelling van eiser dat hij in september 2023 contact heeft opgenomen met de Belastingdienst en niet zou zijn teruggebeld, wordt niet ondersteund door stukken. Ter zitting heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat zij in hun systemen geen aanwijzingen van een telefoongesprek met eiser hebben gevonden. Indien de Dienst Toeslagen wel een aanwijzing van dit gesprek zou hebben gevonden, zou de Dienst Toeslagen bereid zijn geweest om dit telefoongesprek aan te merken als een aanvraag voor compensatie.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van eiser om na september 2023 zelf in de gaten te houden of hij zou worden teruggebeld door de Dienst Toeslagen of om zelf een aanvraag in te dienen. Hij was er immers in september 2023 achter gekomen dat de hersteloperatie mogelijk ook op hem van toepassing was. Eiser heeft pas in maart 2024 (opnieuw) contact gezocht met de Dienst Toeslagen. Daarnaast heeft eiser ook geen reden gegeven waarom hij pas op 15 mei 2024 een aanvraag voor compensatie heeft ingediend, terwijl hij zelf heeft verklaard dat hij in maart 2024 contact heeft opgenomen met de Dienst Toeslagen.
8.2.
Het voorgaande wordt niet anders doordat in het primaire besluit ten onrechte is opgenomen dat eiser zes jaar in het buitenland heeft gewoond. In het bestreden besluit is deze motivering gewijzigd in die zin dat niet is gebleken dat eiseres zes jaar in het buitenland heeft gewoond.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. van der Velden, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht.
2.Brief van de Staatssecretaris van Financiën, Toeslagen en Douane van 24 november 2023,
3.Artikel 9.1, eerste lid, van de Wht.
4.Vergelijk de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:15271 en ECLI:NL:RBROT:2025:15272.