ECLI:NL:RBROT:2026:8504

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
11938792 CV EXPL 25-22921
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkneemster schendt relatie- en geheimhoudingsbeding en wordt veroordeeld tot boetebetaling

De zaak betreft de vraag of de werkneemster onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar werkgever door het overtreden van het relatie- en geheimhoudingsbeding, en of zij aansprakelijk is voor de daardoor geleden schade. De werkneemster heeft tijdens haar dienstverband en na haar vertrek contact onderhouden met een belangrijke klant, de PP-Groep, en vertrouwelijke informatie gedeeld.

De kantonrechter stelt vast dat de werkneemster het relatiebeding heeft overtreden door zonder toestemming contact te onderhouden met de PP-Groep en informatie te verstrekken die niet in het belang van de werkgever was. Ook is het geheimhoudingsbeding geschonden door het delen van bedrijfsgevoelige financiële en strategische informatie.

Hoewel de werkgever schade lijdt door het vertrek van de PP-Groep, is onvoldoende bewijs dat de werkneemster dit vertrek heeft veroorzaakt. Daarom wordt de vordering tot schadevergoeding afgewezen. De werkneemster wordt veroordeeld tot betaling van een boete van €10.000 voor elk beding, met rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Werkneemster wordt veroordeeld tot betaling van boetes wegens schending van relatie- en geheimhoudingsbeding, schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11938792 CV EXPL 25-22921
datum uitspraak: 26 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Ecclesia B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. R.M.C. Jansen,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. P. de Waal.
De partijen worden hierna ‘Ecclesia’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 13 oktober 2025, met bijlagen;
  • het antwoord, met bijlagen;
  • de mail van mr. Jansen van 4 mei 2026 met productie 48;
  • de mail van mr. De Waal van 8 mei 2026 met productie 1 en 2;
  • de spreekaantekeningen van mr. Jansen;
  • de spreekaantekeningen van mr. De Waal.
1.2.
Op 18 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] en [naam 2] namens Ecclesia met mr. Jansen en [gedaagde] met mr. De Waal.

2.Wat is de kern?

2.1.
Het geschil tussen partijen gaat over de vraag of [gedaagde] als werknemer ten opzichte van haar werkgever Ecclesia onrechtmatig heeft gehandeld, althans tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen die op haar rusten als goed werkneemster als gevolg waarvan zij aansprakelijk is voor de schade die Ecclesia daardoor heeft geleden en voorts over de vraag of [gedaagde] gehouden is tot betaling van contractuele boetes wegens schending van het relatie- en/of het geheimhoudingsbeding.
2.2.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] zowel het relatiebeding als het geheimhoudingsbeding heeft geschonden en zal haar veroordelen tot betaling van € 20.000,- aan verbeurde boetebedragen. De verklaring voor recht dat [gedaagde] ten opzichte van Ecclesia onrechtmatig heeft gehandeld en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat worden afgewezen. Hierna worden deze beslissingen uitgelegd.

3.Wat is er gebeurd?

3.1.
[gedaagde] is op 1 juli 2015 bij (de rechtsvoorganger van) Ecclesia in dienst getreden, laatstelijk in de functie van Sector Leader Transport & Logistics (accountmanager).
3.2.
Als accountmanager was [gedaagde] verantwoordelijk voor een aantal grote relaties, waaronder de PP-Groep. Vanaf 2016 heeft zij nauw samengewerkt met deze klant en had daarbij onder meer contact met een van de bestuurders van de PP-Groep, [naam 3] (hierna: [naam 3]).
3.3.
Op 30 oktober 2024 heeft [gedaagde] op haar zakelijke mobiele telefoon gezocht op de zoekterm ‘south holland insurance bv’.
3.4.
Op 27 november 2024 heeft [gedaagde] per mail aan de PP-Groep een overzicht gestuurd van alle lopende en afgewikkelde schades vanaf 2018, met daarbij de opmerking ‘zoals besproken’.
3.5.
Op 29 november 2024 heeft [gedaagde] per mail aan de PP-Groep een overzicht gestuurd van lopende schadedossiers inclusief reserveringen per 29 november 2024 en de polissen met vervaltermijnen. In reactie op deze mail vraagt de PP-Groep of [gedaagde] ook nog een overzicht heeft van de contante schades, met nog de mededeling ‘voor morgen?’. [gedaagde] heeft laat in de avond per mail gereageerd en aangegeven dat er nog niet veel gebeurd is sinds de vorige keer en een overzicht gegeven van de oude contante schades en recente contante schades.
3.6.
Op zaterdag 30 november 2024 is [gedaagde] op het kantoor van de PP-Groep geweest en heeft zij aan de PP-Groep een mail doorgestuurd met informatie en bijlagen over de verlenging van een polis die Ecclesia bij een Franse makelaar inkoopt.
3.7.
Op zondag 1 december 2024 heeft [gedaagde] aan de PP-Groep een mail gestuurd met een Excel-bestand en de mededeling: ‘Bijgaand overzicht polissen (zakelijk + privé) zoals besproken’.
3.8.
Op 2 december 2024 heeft [gedaagde] van de PP-Groep een mail ontvangen met in de bijlage een pdf bestand. Deze bijlage betrof een samenwerkingsovereenkomst tussen ‘Bemiddelaar xxx’ en beursmakelaar ‘Anchor Insurance Rotterdam B.V.’. Met de hand is naast ‘Bemiddelaar xxx’ geschreven ‘South Holland Insurance Brokers B.V.’. In de aanhef van de overeenkomst is opgenomen ‘Partijen hebben besloten een samenwerking aan te gaan, waarbij bemiddelaar tegen vergoeding bemiddelt in producten en diensten die bij of via de Beursmakelaar in diens kwaliteit als Beursmakelaar verkrijgbaar zijn;’
3.9.
Op initiatief van de PP-Groep is op 3 december 2024 een afspraak gepland met de managing director van Ecclesia. Tijdens dit gesprek heeft de PP-Groep te kennen gegeven dat zij de samenwerking met Ecclesia uit onvrede over de dienstverlening zal beëindigen. De PP-Groep gaf ook aan [gedaagde] te willen overnemen. Ecclesia heeft de PP-Groep gewezen op het tussen [gedaagde] en Ecclesia geldende relatiebeding en dat het inlijven van [gedaagde] niet mogelijk was. Voorts heeft Ecclesia aangegeven teleurgesteld te zijn, te meer omdat er nooit signalen waren ontvangen dat de PP-Groep niet tevreden was. Op 4 december 2024 heeft de PP-Groep in een telefoongesprek met de managing director van Ecclesia te kennen gegeven dat haar besluit om afscheid te nemen definitief was.
3.10.
Op 5 december 2024 heeft Ecclesia [gedaagde] persoonlijk op de hoogte gebracht dat de PP-Groep de samenwerking had beëindigd. Tijdens dit gesprek heeft [gedaagde] aangegeven dat zij hiervan niets wist, dat zij geen signalen had gekregen dat de PP-Groep ontevreden was en dat zij haar ook niet hadden benaderd met een aanbod om daar te komen werken.
3.11.
Na de bekendmaking binnen Ecclesia dat de PP-Groep was opgestapt, hebben twee medewerkers van Ecclesia afzonderlijk de managing director van Ecclesia aangesproken. Een van hen gaf aan dat hij en twee andere collega’s eerder dat jaar door [gedaagde] waren benaderd en dat zij plannen had om voor zichzelf te beginnen. De andere collega gaf aan dat [naam 3] hem had verteld dat de overstap van de PP-Groep intern was gefaciliteerd en de naam van [gedaagde] was gevallen.
3.12.
Ecclesia heeft [gedaagde] voor een gesprek op 20 december 2024 uitgenodigd. In dit gesprek heeft Ecclesia de door haar ontvangen signalen aan [gedaagde] voorgehouden en haar vermoeden gedeeld dat er iets niet in de haak is rondom het vertrek van de PP-Groep. Ecclesia heeft [gedaagde] om een reactie gevraagd. [gedaagde] heeft aangegeven niet mondeling te willen reageren uit angst dat alles verkeerd zou worden geïnterpreteerd. Wel heeft zij aangegeven dat het benaderen van collega’s niet op haar initiatief heeft plaatsgevonden. Ecclesia heeft daarop aan [gedaagde] laten weten nader intern onderzoek in te stellen en een extern bureau te zullen inschakelen. [gedaagde] is op non-actief gesteld en heeft op verzoek van Ecclesia haar laptop en zakelijke telefoon ingeleverd.
3.13.
[gedaagde] heeft per mail op 20 december 2024 om 16.02 uur haar arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 februari 2025. In de mail schrijft [gedaagde] dat zij voornemens was om het gesprek van die dag aan te grijpen om met Ecclesia te spreken over haar toekomst en haar besluit om bij Ecclesia te vertrekken, maar dat het gesprek een voor haar onverwachte wending kreeg, toen zij werd geconfronteerd met de geruchten over bezig zijn met concurrenten. Voorts schrijft ze dat de PP-Groep na de intermediairwijziging met haar in gesprek is gegaan over een nieuwe rol voor haar waarin zij verantwoordelijk wordt voor de coördinatie en het beheer van de assurantieportefeuille van de PP-Groep, dochtervennootschappen en deelnemingen.
3.14.
Ecclesia heeft, zonder dat zij de mail van [gedaagde] had gelezen, per brief en mail van 20 december 2024 de non-actief stelling bevestigd. In de brief is onder meer opgenomen dat aan het besluit tot non-actief stelling ten grondslag ligt het vermoeden van Ecclesia dat [gedaagde] op voorhand wist dat de PP-Groep zou overstappen naar concurrent Anchor en dat zij actief aan de overstap heeft meegewerkt. Daarnaast is in de brief opgenomen dat haar is medegedeeld dat Ecclesia een nader intern onderzoek zal instellen naar haar betrokkenheid bij het vertrek van de PP-Groep en de overstap naar Anchor en dat Ecclesia zich het recht voorbehoudt een extern onderzoeksbureau in te schakelen. Verder is opgenomen dat als haar betrokkenheid komt vast te staan dat een reden is om de arbeidsovereenkomst onmiddellijk te beëindigen en dat zij haar zo spoedig mogelijk zullen uitnodigen voor een gesprek over de uitkomsten van het onderzoek en de te nemen maatregelen. Voorts is [gedaagde] verzocht om uiterlijk maandag 23 december 2024 de inlogcodes van de laptop en de zakelijke telefoon te geven en een telefoonnummer waarop zij bereikbaar is.
3.15.
[gedaagde] heeft op maandag 23 december 2024 per mail aan Ecclesia onder meer geschreven dat zij kort na het gesprek van 20 december de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, dat Ecclesia in haar brief daaraan voorbij gaat, dat de weergave van het gesprek dubieus is, dat de aanpak chaotisch is en dat zij geen vertrouwen heeft dat het in- en externe onderzoek op een zorgvuldige en integere manier verloopt, dat op de laptop en telefoon privéberichten staan, dat zij in de gelegenheid wil worden gesteld om deze te verwijderen en dat zij de brief van 20 december 2024 heeft doorgestuurd aan de PP-Groep.
3.16.
Ecclesia heeft per e-mail van 24 december 2024 onder meer de opzegging bevestigd, [gedaagde] gewezen op het relatiebeding en dat Ecclesia geen toestemming verleent aan [gedaagde] om bij de PP-Groep in dienst te treden en voorts nogmaals verzocht om de inlogcodes te verstrekken.
3.17.
Per mail van 30 december 2024 heeft [gedaagde] onder meer te kennen gegeven dat zij nog geen concreet en uitgewerkt voorstel van de PP-Groep heeft, dat volgens haar het relatiebeding er niet aan in de weg staat om bij de PP-Groep te gaan werken. Voorts heeft [gedaagde] de inlogcode van de laptop gegeven en voor de inlogcode van haar telefoon de voorwaarde gesteld deze alleen te willen geven nadat zij privéberichten heeft kunnen verwijderen.
3.18.
Per mail van 31 december 2024 heeft Ecclesia aan [gedaagde] meegedeeld dat er een extern onderzoeksbureau is ingeschakeld, dat het onderzoeksbureau privézaken niet in het onderzoek zal betrekken en haar op korte termijn zal vragen de inlogcode van de telefoon door te geven.
3.19.
Op 3 januari 2025 heeft onderzoeksbureau Hoffmann (hierna: Hoffmann) aan [gedaagde] per mail gevraagd in het kader van het onderzoek de inlogcodes van de mobiele telefoon te verstrekken en meegedeeld dat privégesprekken niet in het onderzoek zullen worden betrokken.
3.20.
Per brief van 8 januari 2025 heeft de gemachtigde van Ecclesia [gedaagde] gesommeerd uiterlijk 10 januari 2025 te bevestigen dat zij het relatiebeding zal respecteren en de inlogcode van de mobiele telefoon te verstrekken.
3.21.
Op 10 januari 2025 heeft de PP-Groep aan Ecclesia bericht dat zij door [gedaagde] op de hoogte is gesteld van haar non-actiefstelling per 20 december 2024 en ook kennis heeft genomen van de vier brieven die Ecclesia sinds 20 december 2024 aan [gedaagde] heeft gestuurd. De PP-Groep betwist de beschuldigingen aan haar adres en vraagt Ecclesia daarmee te stoppen.
3.22.
Op 10 januari 2025 heeft [gedaagde] aan Hoffmann bericht dat Ecclesia haar ten onrechte beschuldigt van de overstap van de PP-Groep, dat haar woorden worden verdraaid en zij geen vertrouwen meer heeft in Ecclesia en in het onderzoek.
3.23.
In een door deze rechtbank gewezen vonnis in kort geding van 20 maart 2025 is [gedaagde] verboden om tot 1 februari 2026 bij of voor de PP-Groep te werken en is [gedaagde] bevolen om uiterlijk 26 maart 2025 de inloggegevens van haar zakelijke telefoon aan Hoffmann te verstrekken. [gedaagde] heeft vervolgens aan het bevel om de inlogcode te verstrekken gehoor gegeven.
3.24.
Op 16 mei 2025 heeft Hoffmann [gedaagde] uitgenodigd voor een bespreking van en reactie op de onderzoeksbevindingen.
3.25.
Op 20 mei 2025 heeft [gedaagde] aan Ecclesia bericht dat de PP-Groep haar heeft laten weten dat er voor haar geen rol meer binnen die organisatie is weggelegd, dat zij per 1 juni 2025 een nieuwe baan heeft, dat zij het vonnis van 20 maart 2025 respecteert en aanneemt dat verdere gesprekken met Hoffmann niet meer nodig zijn.
3.26.
De gemachtigde van Ecclesia heeft op 10 juni 2025 aan [gedaagde] bericht dat het onderzoek gesloten is en dat Ecclesia haar op basis van de eigen bevindingen en de bevindingen van Hoffmann aansprakelijk stelt voor de schade die Ecclesia heeft geleden, lijdt en nog zal lijden omdat zij zich niet als goed werknemer heeft gedragen en ook tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichting om zich als goed werknemer te gedragen. Daarnaast heeft Ecclesia in de brief vermeld dat [gedaagde] het relatie- en het geheimhoudingsbeding heeft geschonden en Ecclesia daarom aanspraak maakt op betaling van een boete van € 70.000,-.

4.De beoordeling

Intern en extern onderzoek
4.1.
[gedaagde] heeft kanttekeningen geplaatst bij het door Ecclesia uitgevoerde interne en externe onderzoek. Volgens [gedaagde] heeft Ecclesia haar niet uitgenodigd om de resultaten van het nader intern onderzoek te bespreken. Hoewel juist is dat Ecclesia in de brief van 20 december 2024 heeft vermeld dat zij een nader intern onderzoek zal instellen, heeft Ecclesia zich daarin ook het recht voorbehouden om een extern onderzoeksbureau in te schakelen. Van die voorwaarde heeft Ecclesia vervolgens gebruik gemaakt door Hoffmann in te schakelen. Daarbij merkt de kantonrechter op dat Ecclesia tijdens het gesprek op 20 december 2024 al haar bevindingen tot dan toe aan [gedaagde] heeft voorgehouden, maar [gedaagde] toen niet heeft willen reageren.
4.2.
Hoffmann heeft [gedaagde] wel uitgenodigd om de onderzoeksbevindingen te bespreken. De kantonrechter volgt de stelling van [gedaagde] dat het haar niet duidelijk was waar het externe onderzoek betrekking op had en dat zij niet wist waarop zij zou moeten reageren, niet. Tijdens het gesprek op 20 december 2024 heeft Ecclesia haar immers voorgehouden dat het vermoeden bestond dat zij betrokken was bij het vertrek van de PP-Groep. Ook uit de mail van [gedaagde] aan Hoffmann van 10 januari 2025 blijkt dat het haar bekend is dat Ecclesia haar beschuldigt van de overstap naar de PP-Groep. Het is aldus de eigen keuze van [gedaagde] geweest om niet met Hoffmann in gesprek te gaan en haar visie te geven.
4.3.
Juist is dat [gedaagde] geen concept rapport heeft ontvangen, maar zij heeft wel het definitieve onderzoeksrapport ontvangen en heeft de gelegenheid gehad om (in deze procedure) te reageren op de bevindingen van het rapport.
4.4.
De stelling van [gedaagde] dat met de opzegging het arbeidsrechtelijk karakter van het onderzoek is komen te vervallen, volgt de kantonrechter niet. Een werkgever kan een werknemer ook na het eindigen van de arbeidsovereenkomst aanspreken op schendingen van verplichtingen die tijdens (en na) het dienstverband op de werknemer rusten.
[gedaagde] heeft het relatiebeding overtreden
4.5.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] het relatiebeding heeft overtreden en zal haar daarom veroordelen om aan Ecclesia een boete van € 10.000,- te betalen.
4.6.
In de arbeidsvoorwaardenregeling 2023 die van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] is in artikel 2.2.4. een relatiebeding opgenomen die voor zover van belang het volgende bepaalt:

Het is verboden om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Ecclesia, zowel tijdens het dienstverband als gedurende een periode van één jaar na het einde van jouw
arbeidsovereenkomst, ongeacht de reden van beëindiging, direct of indirect, voor jezelf of voor anderen, tegen een vergoeding of niet, zakelijk contact te zoeken, te leggen en/of te
onderhouden met opdrachtgevers, klanten en/of relaties van Ecclesia en de met haar verbonden ondernemingen, dit in de meest ruime zin van het woord.
(…)
Onder opdrachtgevers, klanten en/of relaties van Ecclesia en de met haar verbonden
rechtspersonen en/of vennootschappen worden verstaan alle natuurlijke personen of
rechtspersonen, of daaraan gelieerde natuurlijke personen of rechtspersonen, aan of voor welke Ecclesia in het jaar (één jaar) voorafgaande aan het einde van jouw arbeidsovereenkomst, zaken heeft geleverd, diensten heeft verricht, of een aanbod daartoe heeft gedaan.
Indien en zodra je het in dit artikel bepaalde overtreedt en/of niet nakomt, legt Ecclesia je een boete op ter hoogte van € 25.000,= voor iedere overtreding, alsmede een bedrag van € 1.000,= voor iedere dag dat de overtreding/niet-nakoming (…)”
4.7.
Het relatiebeding heeft niet alleen een postcontractuele werking, zoals door [gedaagde] betoogd, maar geldt ook gedurende het dienstverband. Dit volgt uit de zinsnede van de eerste zin ‘
zowel tijdens het dienstverband als gedurende een periode van één jaar na het einde van jouw arbeidsovereenkomst’. Daarbij gaat het erom te voorkomen dat werknemers contact hebben met relaties waarbij niet het belang van de werkgever voorop staat, maar uitsluitend het eigen belang van de werknemer.
4.8.
Vast staat dat [gedaagde], zoals blijkt uit de door haar als productie 1 overgelegde schriftelijke verklaring, inmiddels erkent dat zij haar voornemen om bij Ecclesia te vertrekken in oktober 2024 aan [naam 3] kenbaar heeft gemaakt en dat [naam 3] haar vervolgens een voorstel heeft gedaan waarbij de PP-Groep een nieuwe tussenpersoon zou gaan oprichten waarover zij de leiding zou krijgen. [naam 3] verzocht [gedaagde] nog niet bij Ecclesia op te zeggen en zijn plan te volgen en zij heeft aan dit verzoek gehoor gegeven, aldus [gedaagde].
4.9.
Zoals hiervoor onder 3.4 tot en met 3.7 opgenomen, staat verder vast dat [gedaagde] op 27, 29 en 30 november 2024 en op 1 december 2024 aan de PP-Groep mails heeft gestuurd met informatie over onder meer alle afgewikkelde schades, lopende schades en contante schades. Voorts is ook een bijgewerkt overzicht van de polissen gestuurd.
Ecclesia heeft er daarbij op gewezen dat het verstrekken van informatie over alle lopende en afgewikkelde schades sinds 2018 en het geven van een polisoverzicht en een overzicht van alle schadedossiers met reserveringen alleen plaatsvindt bij een zich aandienende overstap van een klant. Het verweer van [gedaagde] dat het gebruikelijk was om deze informatie te verstrekken en het informatie van de klant is, is mede in het licht van de door haar inmiddels overgelegde verklaring, onvoldoende.
4.10.
Daarnaast is [gedaagde] op zaterdag 30 november 2024 bij PP-Groep op bezoek geweest. Het kan zo zijn dat het voor [gedaagde] gebruikelijk was om ook in de weekenden te werken, maar in de gegeven omstandigheden waarbij [gedaagde] aan PP-Groep had aangekondigd dat zij bij Ecclesia zou vertrekken, zij gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de PP-Groep om nog even bij Ecclesia te blijven en ook haar erkenning dat de PP-Groep haar een voorstel heeft gedaan om over te stappen, vraagt haar bezoek aan de PP-Groep om een nadere uitleg dan door [gedaagde] gegeven. Het is immers bepaald niet ondenkbaar dat [gedaagde] daar voor haar eigen belang en niet voor het belang van Ecclesia aanwezig was.
4.11.
Daarnaast is van belang dat [gedaagde] op haar zakelijke mobiele telefoon heeft gezocht met de zoekterm ‘south holland insurance bv’, terwijl een met deze zoekterm vergelijkbare naam prijkt op een samenwerkingsovereenkomst die [gedaagde] op 2 december 2024, 2 dagen na haar bezoek aan de PP-Groep, van de PP-Groep heeft ontvangen. Weliswaar is het handschrift waarmee de naam op de overeenkomst is geschreven niet van [gedaagde], maar dat doet er niet aan af dat deze samenwerkingsovereenkomst in het licht van de plannen die PP-Groep aan [gedaagde] heeft voorgehouden en waarin zij - naar zij inmiddels erkent - is meegegaan, in het belang van [gedaagde] was.
4.12.
Uit het voorgaande volgt genoegzaam dat [gedaagde], tijdens haar dienstverband, niet in het belang van Ecclesia, maar in haar eigen belang heeft gehandeld. Dit levert aldus een schending van het relatiebeding op. [gedaagde] dient daarom de gevorderde boete van € 10.000,- aan Ecclesia te betalen.
[gedaagde] heeft het geheimhoudingsbeding overtreden
4.13.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding heeft overtreden en zal haar daarom veroordelen om aan Ecclesia een boete van € 10.000,- te betalen.
4.14.
In de arbeidsvoorwaardenregeling 2023 die van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van [gedaagde] is in artikel 2.2.1. een geheimhoudingsbeding opgenomen, die voor zover van belang bepaalt:
“Je gaat zorgvuldig en integer om met informatie en je gaat zo met informatie om dat er geen schade kan ontstaan voor Ecclesia. (…) je maakt geen misbruik van de beschikbare kennis en informatiedragers.
Je bent verplicht tot geheimhouding van alle zaken waarvan je weet of redelijkerwijs hoort te weten dat ze vertrouwelijk zijn en waarvan je kan veronderstellen dat het delen ervan met
collega's van Ecclesia of met derden het belang van Ecclesia en/of van haar klanten kan schaden. Dit kan gaan om bijvoorbeeld strategische informatie, gegevens over producten en de ontwikkeling daarvan, gegevens van klanten, financiële gegevens, etc.
De geheimhoudingsbepalingen gelden ook nadat je contract met Ecclesia is beëindigd.
Wanneer je je niet houdt aan deze geheimhoudingsbepalingen, kan Ecclesia je een boete
opleggen van € 10.000,= per overtreding. (…)”
4.15.
Het verweer van [gedaagde] dat zij geen vertrouwelijke informatie heeft gedeeld gaat niet op. Weliswaar heeft de PP-Groep als verzekerde recht op informatie die samenhangt met de assurantieportefeuille, zoals schadeoverzichten en polisoverzichten, maar met de mail van 29 november 2024 heeft [gedaagde] onder meer informatie gedeeld over de uitbetalingen die Ecclesia van verzekeraars heeft ontvangen en is ook zichtbaar welke bedragen Ecclesia nog niet heeft uitbetaald aan de PP-Groep. Dit betreft dus financiële informatie en ook strategische informatie over de wijze waarop Ecclesia omgaat met uitbetalingen die zij heeft ontvangen. Dit valt onder bedrijfsgevoelige informatie. Voor deze schending moet [gedaagde] een boete van € 10.000,- aan Ecclesia betalen.
4.16.
Met het aan PP-Groep doorsturen van de tussen haar en Ecclesia in de periode 20 december 2024 tot en met 8 januari 2025 gevoerde correspondentie, heeft [gedaagde] geen bedrijfsgevoelige informatie gedeeld. De strekking van het geheimhoudingsbeding is immers het beschermen van het bedrijfsbelang van Ecclesia. Dit volgt ook uit de bepaling waarin staat dat er geen strategische informatie, productgegevens, klantgegevens en financiële gegevens mogen worden gedeeld. Het gaat aldus om concurrentiegevoelige informatie. Dergelijke informatie is met het doorsturen van de betreffende correspondentie niet gedeeld. De correspondentie gaat immers voornamelijk over de non-actiefstelling, de opzegging en de verwijten die Ecclesia en [gedaagde] elkaar over en weer maken.
4.17.
Het verweer van [gedaagde] dat Ecclesia haar nimmer in gebreke heeft gesteld en nakoming heeft geëist van het geheimhoudingsbeding gaat niet op. Met het geheimhoudingsbeding hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] geen bedrijfsgevoelige informatie zal delen. Met het delen van de bedrijfsgevoelige informatie is zij die afspraak niet nagekomen en is nakoming aldus blijvend onmogelijk. De boete is dan direct opeisbaar en een ingebrekestelling niet nodig.
[gedaagde] is niet aansprakelijk voor de schade als gevolg van het vertrek van de PP-Groep
4.18.
Hoewel vast staat dat [gedaagde] met het schenden van het relatie- en het geheimhoudingsbeding niet heeft gehandeld als een goed werknemer betaamt en Ecclesia schade lijdt door het wegvallen van de PP-Groep als klant, heeft dit nog niet tot gevolg dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door het vertrek van de PP-Groep geleden schade.
4.19.
[gedaagde] kan voor die schade niet aansprakelijk worden gehouden, omdat onvoldoende duidelijk is dat [gedaagde] heeft bijgedragen aan de keuze van de PP-Groep om te vertrekken bij Ecclesia. Uit de stellingen van Ecclesia blijkt niet dat het initiatief tot het vertrek van de PP-Groep van [gedaagde] afkomstig was en dat de PP-Groep zonder de voor [gedaagde] bedachte rol en door [gedaagde] verstrekte informatie tot een ander besluit zou zijn gekomen. Dat [gedaagde] de PP-Groep zou hebben geadviseerd dan wel bewogen om bij Ecclesia te vertrekken, is niet gebleken. Daarbij komt dat het de PP-Groep vrij staat om naar een andere assurantietussenpersoon over te stappen. Zoals ook door Ecclesia zelf aangevoerd betrof de informatie die [gedaagde] aan de PP-Groep heeft gestuurd met name informatie die wordt verstrekt op het moment dat een klant overstapt naar een andere assurantietussenpersoon. In dat licht is niet aannemelijk dat die informatie de PP-Groep tot het besluit heeft gebracht om bij Ecclesia weg te gaan, maar licht het veel meer voor de hand dat de PP-Groep dat besluit al (lang) voor het verstrekken van die informatie heeft genomen. Het delen van de onder 4.15 genoemde informatie over de wijze waarop Ecclesia omgaat met uitbetalingen die zij heeft ontvangen, is naar het oordeel van de kantonrechter eveneens onvoldoende om daar uit af te leiden dat [gedaagde] de PP-Groep heeft bewogen om te vertrekken.
4.20.
[gedaagde] kan worden verweten dat zij Ecclesia niet op de hoogte heeft gesteld van de plannen van de PP-Groep. Als goed werknemer had zij haar werkgever van die wetenschap op de hoogte moeten brengen. De kantonrechter is echter van oordeel dat Ecclesia onvoldoende heeft onderbouwd dat dit zwijgen van [gedaagde] tot meer schade heeft geleid en dat zij het vertrek van de PP-Groep had kunnen voorkomen, indien zij eerder op de hoogte was geweest van de plannen van de PP-Groep. Het gesprek dat Ecclesia begin december 2024 met de PP-Groep heeft gehad, heeft immers evenmin tot een andere beslissing van de PP-Groep geleid.
4.21.
De gevorderde verklaring voor recht en de vordering [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet wordt daarom afgewezen.
[gedaagde] moet rente betalen
4.22.
De rente over de boete wordt toegewezen, omdat Ecclesia genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.23.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Ecclesia moet betalen op € 119,40 aan dagvaardingskosten, € 1.461,- aan griffierecht, € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.588,40. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.24.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Ecclesia dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Ecclesia te betalen € 10.000,- ter zake van een verbeurde boete door het overtreden van het relatiebeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 13 oktober 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Ecclesia te betalen € 10.000,- ter zake van een verbeurde boete door het overtreden van het geheimhoudingsbeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 13 oktober 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Ecclesia worden begroot op € 2.588,40;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
754