ECLI:NL:RBROT:2026:8747

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/5455
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 7:1a AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 3:45 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige terugvordering bijstandsuitkering onder oud recht

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om schadevergoeding wegens een onrechtmatige terugvordering van bijstandsuitkering uit 2005, die volgens hem leidde tot beëindiging van zijn WSNP-traject. Het college wees het verzoek af, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek onder het oude recht valt, omdat het schadeveroorzakende besluit dateert van vóór 1 juli 2013. Na instemming van partijen werd het bezwaarschrift als beroepschrift behandeld. Hoewel het beroepschrift te laat was ingediend, achtte de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar vanwege een onjuiste rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit.

De rechtbank stelde vast dat de verjaringstermijn nog niet was verstreken en dat het causale verband tussen het besluit en de schade onvoldoende was onderbouwd. De terugvorderingen over 1999 en 2000 stonden vast en konden mede reden zijn voor beëindiging van het WSNP-traject. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Het college werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser vanwege het gebrek in het bestreden besluit. Eiser kreeg geen schadevergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het schadeverzoek wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/5455

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[persoon A] , uit [plaats] , verzoeker/eiser

(gemachtigde: mr. E.R. van Dijk-Lopes Lima),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,het college
(gemachtigde: mr. A. Hielkema).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een verzoek tot schadevergoeding. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek valt onder het oude recht. Na het verzoek van partijen om de bezwaarfase over te slaan, heeft de rechtbank het bezwaarschrift als beroepschrift aangemerkt en de zaak in beroep behandeld. Het beroepschrift is verschoonbaar te laat ingediend. Het college heeft terecht een afwijzend schadebesluit genomen.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 12 december 2024 een verzoek gedaan om schadevergoeding bij het college. Het college heeft dit verzoek op 21 december 2024 afgewezen.
1.1.
Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Verzoeker heeft naar aanleiding van vragen van de rechtbank een nadere reactie ingediend op 12 mei 2026.
1.3.
De rechtbank heeft het verzoek op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.
1.4.
Op de zitting heeft de rechtbank aan de orde gesteld dat het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan voor de invoering van artikel 8:88 van Pro de Awb, dat de rechtbank zich onbevoegd dient te verklaren en de zaak naar de bezwaarfase dient terug te verwijzen. Verzoeker heeft op de zitting het college gevraagd om in te stemmen met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Awb.
1.5.
Het college heeft te kennen gegeven in te stemmen met het verzoek. Het verzoekschrift wordt daarom aangemerkt als bezwaarschrift tegen de afwijzing van het schadeverzoek op 21 december 2024 (hierna: het bestreden besluit) en is doorgestuurd naar de rechtbank om als beroep te worden behandeld. De rechtbank zal verzoeker vanaf nu aanmerken als eiser.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser ontvangt sinds 1998 een bijstandsuitkering van het college. In oktober 2003 is eiser toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). Eiser heeft van april 2006 tot en met oktober 2006 gewerkt waardoor hij geen bijstandsuitkering meer ontving. In de periode van oktober 2006 tot en met maart 2007 ontving eiser een uitkering op grond van de Ziektewet. Na afloop van de uitkering op grond van de Ziektewet heeft eiser weer een bijstandsuitkering toegekend gekregen.
2.1.
Met het besluit van 21 oktober 2005 heeft het college de bijstandsuitkering herzien omdat na onderzoek is gebleken dat hij tussen 1 september 1999 tot en met 31 oktober 1999 en tussen 1 januari 2000 tot en met 31 januari 2000 en tussen 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 arbeid heeft verricht en de inkomsten daarvan niet heeft verantwoord bij het college. Op grond daarvan heeft het college het teveel aan ontvangen bijstandsuitkering teruggevorderd van eiser. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit op 24 november 2005. Met het besluit van 15 mei 2006 op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. In 2006 is het traject van de WSNP bij beschikking van deze rechtbank met eiser beëindigd.
2.2.
In 2008 heeft eiser zijn toenmalige werkconsulent gevraagd om het besluit van 21 oktober 2005 nader te onderzoeken. Niet valt te achterhalen of eiser van de uitkomst van dit onderzoek bericht heeft gehad. Eiser heeft op 8 december 2023 (opnieuw) gevraagd om een herbeoordeling van de terugvordering en hij heeft op 2 februari 2024 een rappel gestuurd. Het college heeft naar aanleiding van dit verzoek een onderzoek uitgevoerd en [persoon B] heeft de bevindingen van dit onderzoek op 9 april 2024 per brief aan eiser medegedeeld. In deze brief staat onder meer: “
Verder hebt u in 2005 een brief van ons gekregen. In die brief stond dat u geld moest terugbetalen, omdat wij dachten dat u in 2001 inkomsten uit werk had gehad. In 2008 hebben wij deze vordering afgeboekt. Dit betekent dat u over 2001 niets terug hoeft te betalen. Wij zijn het met u eens dat u in 2001 geen inkomsten hebt gehad.”
En ook: “
We hebben geen informatie hadden dat u in 2001 hebt gewerkt. U hoeft niets terug te betalen over 2001.”
2.3.
Eiser heeft met een brief van 12 november 2024 het college aansprakelijk gesteld. Ter onderbouwing van zijn vordering stelt eiser dat als gevolg van de onterechte terugvordering het WSNP-traject met hem is beëindigd. Eiser heeft hierdoor schade geleden.
2.4.
Het college heeft het verzoek om schadevergoeding op 21 december 2024 schriftelijk afgewezen. Het college heeft de afwijzing (met het bestreden besluit) als volgt onderbouwd. Het besluit uit 2005 bevatte drie vorderingen. Naast een terugvordering uit 2001 ter hoogte van € 2.291,41 waren er ook terugvorderingen uit 1999 ter hoogte van € 261,98 en uit 2000 van € 478,00. Alle drie de terugvorderingen vonden hun oorzaak in het niet (tijdig) melden van verdiensten. Daarnaast heeft het college, in tegenstelling tot hetgeen in de brief van 9 april 2024 is vermeld, wel looninformatie uit 2001 gevonden, te weten een salarisstrook van december 2001. Het besluit uit 2005 is daarmee, aldus het college in het bestreden besluit, niet onrechtmatig. Het college heeft uit coulance wel het bedrag ter hoogte van de terugvordering over 2001, te weten € 2.291,41 aan eiser betaald omdat, aldus het college, het voor eiser pijnlijk is geweest dat een reactie op zijn verzoek uit 2008 achterwege is gebleven.

Beroep van eiser

3. Eiser heeft naar voren gebracht dat het college in 2005 een onrechtmatig besluit heeft genomen. Als gevolg van dit besluit is het WSNP-traject met eiser in 2006 beëindigd. Eiser heeft hierdoor schade geleden omdat hij geen schone lei heeft gekregen en zijn schulden zijn blijven bestaan. Eiser wil een schadevergoeding nader op te maken bij staat.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de vraag of het college terecht heeft bepaald dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit en dat het college niet aansprakelijk is voor de door eiser gestelde schade. Zij doet dat aan de hand van de gronden van eiser.
Bevoegdheid rechtbank en ontvankelijkheid eiser
4.1.
Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, beoordeelt de rechtbank eerst de ontvankelijkheid van eiser. Zoals reeds onder 1.4 weergegeven heeft eiser het schadeverzoek ingediend op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns) in werking getreden. Op grond van artikel IV, eerste lid, van de Wns, blijft op schade, veroorzaakt door een besluit dat werd bekendgemaakt of een handeling die werd verricht voor 1 juli 2013, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. Nu het besluit van 21 oktober 2005 als schadeveroorzakend besluit door eiser is aangemerkt, is het oude recht van toepassing. Dit heeft tot gevolg dat het bestreden besluit een schadebesluit is waartegen eiser bezwaar had moeten maken.
4.2.
Zoals reeds weergegeven onder 1.5 heeft het college ingestemd met het verzoek van eiser om zijn verzoekschrift aan te merken als bezwaarschrift en akkoord te gaan met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter in de zin van artikel 7.1a van de Awb.
Het college heeft het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit dateert van 21 december 2024 en dat het verzoekschrift dateert van 9 april 2024. Omdat tussen het bestreden besluit en het indienen van het verzoekschrift (beroepschrift) langer dan zes weken tussen zit, zou eiser niet-ontvankelijk zijn in zijn beroep. Daarbij heeft het college ook gewezen op het feit dat eiser werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat vaststaat dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het bestreden besluit liep tot en met 3 februari 2024 en dat het op 16 juli 2024 (bij de rechtbank) ingediende bezwaarschrift dus buiten de in artikel 6:7 van Pro de Awb voorgeschreven termijn van zes weken is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is deze termijnoverschrijding echter verschoonbaar. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.4.
Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb is een termijnoverschrijding verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift of beroepschrift in verzuim is geweest. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. [1]
4.5.
De rechtbank overweegt dat in het bestreden besluit, in strijd met artikel 3:45, eerste lid, van de Awb, een onjuiste rechtsmiddelenclausule was opgenomen. In het bestreden besluit heeft het college opgenomen:
“Mocht u het desondanks met deze beslissing niet eens zijn, dan kunt u een verzoek indienen bij de Rechtbank Rotterdam (artikel 8:88 e.v. Algemene wet bestuursrecht)”
4.6.
Hieruit volgt niet dat eiser binnen zes weken bezwaar had moeten maken tegen de beslissing. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan eiser kan worden toegerekend. Dat, zoals het college nog heeft aangevoerd, eiser werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener maakt het voorgaande niet anders nu het college zelf een foutieve rechtsmiddelenclausule in het bestreden besluit heeft opgenomen. Het is naar het oordeel van de rechtbank begrijpelijk dat eiser en ook zijn gemachtigde uitgingen van de juistheid van de rechtsmiddelenclausule. Ook uit het bestreden besluit zelf volgt op geen enkele wijze dat het oude recht van toepassing zou zijn. Het besluit bevatte, vanwege het ontbreken van een juiste rechtsmiddelenclausule, een gebrek. Nu de rechtbank de termijnoverschrijding verschoonbaar acht en partijen ingestemd hebben met rechtstreeks beroep, is het aannemelijk dat eiser niet is benadeeld en passeert de rechtbank dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
Verjaring?
5. Het college heeft voorts naar voren gebracht, dat wanneer de rechtbank eiser ontvankelijk verklaart, de vordering tot schadevergoeding is verjaard. De rechtbank volgt het college niet in dit standpunt. Op grond van artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden. Op 12 december 2024, de datum waarop eiser een schadeverzoek heeft gedaan, was de verjaringstermijn van 20 jaar nog niet verlopen. Voorts volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 8 september 2023 [2] dat de korte verjaringstermijn van een rechtsvordering tot vergoeding van schade van vijf jaar niet eerder aanvangt dan de dag na die waarop de vernietiging van het schadeveroorzakende besluit onherroepelijk is geworden of het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit heeft erkend. Nu er geen sprake is van een vernietiging van het besluit van 21 oktober 2005, is de verjaringstermijn nog niet gaan lopen. Voor zover de brief van 9 april 2024 van het college zou moeten worden aangemerkt als een erkenning, zoals eiser stelt, is op 12 december 2024 evenmin de rechtsvordering van eiser verjaard. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van eiser niet verjaard.
Heeft eiser recht op een schadevergoeding?
6. Eiser voert aan dat het college zijn verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat niet onrechtmatig is gehandeld. Hij stelt dat het college in de brief van 9 april 2024 heeft erkend dat het besluit van 21 oktober 2005 onrechtmatig was. Eiser heeft in 2001 geen inkomsten verworven uit arbeid en dat wordt ook in die brief erkend. Daarom is de beslissing om zijn uitkering terug te vorderen onrechtmatig. Als gevolg van dat besluit is zijn WSNP-traject beëindigd. Eiser kampt daardoor nog altijd met schulden die hij zonder het besluit niet zou hebben gehad.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het besluit tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding een zuiver schadebesluit is. Bij de beoordeling van een dergelijk besluit dient hetzelfde materiële schadevergoedingsrecht te worden toegepast als bij de beoordeling van een verzoek om veroordeling tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 (oud) van de Awb. Bij dergelijke verzoeken dient zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Dat dient daarom ook bij de beoordeling van het in geding zijnde zelfstandige schadebesluit te gebeuren.
6.2.
De vraag of het college met de brief van 9 april 2024 de onrechtmatigheid van het besluit van 21 oktober 2005 heeft erkend, dan wel dat sprake is van verklaringen en gedragingen van het college op grond waarvan eiser in de gegeven omstandigheden er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat het college die onrechtmatigheid erkende, en of het college, na het vinden van de loonstrook uit 2001 kon terugkomen op zijn uitlatingen, kan in het midden blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is het causale verband tussen de schade en het besluit van 21 oktober 2005 door eiser onvoldoende met stukken onderbouwd. Zo heeft eiser onder meer niet de uitspraak van de rechtbank overgelegd waaruit de reden blijkt waarom hij uit zijn WSNP-traject is gezet. De rechtbank kan daarom geen verband tussen het beëindigen van het WSNP-traject en het besluit van 21 oktober 2005 vaststellen. In artikel 350, derde lid, van de Faillissementswet worden verschillende redenen genoemd op grond waarvan een WSNP-traject tussentijds kan worden beëindigd. De rechtbank betrekt hierbij nog het volgende. Het besluit van 21 oktober 2005 betreft een terugvordering van de verleende uitkering in 1999, 2000 en 2001. Eiser heeft de terugvorderingen over de jaren 1999 en 2000 niet bestreden. De rechtmatigheid van deze terugvorderingen staan dus vast. Niet valt uit te sluiten dat het WSNP-traject mede tussentijds is beëindigd door het ontstaan van deze terugvorderingen. Daarnaast volgt uit de stukken dat er ook sprake is geweest van een terugvordering van de bijstandsuitkering over de periode van 1 november 2004 tot en met 12 november 2004 ter hoogte van € 941,69. Hiervan is eveneens onduidelijk of deze terugvordering (mede) reden is geweest van het beëindigen van het WSNP-traject. Op de zitting heeft eiser weliswaar naar voren gebracht dat de bewindvoerder op de verificatievergadering alleen de ontstane schuld uit 2001 zou hebben besproken. Dat op de verificatievergadering alleen de vordering uit 2001 zou zijn besproken is door eiser niet met stukken onderbouwd. Zo heeft eiser bijvoorbeeld niet het resultaat of verslag van de verificatievergadering overgelegd. Omdat het causale verband niet is aangetoond, komt eiser niet in aanmerking voor schadevergoeding. Het beroep van eiser slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6.3.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen schadevergoeding krijgt. Gelet op het geconstateerde gebrek als genoemd in 4.6 moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Daarnaast krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat het college het griffierecht ter hoogte van € 194,- aan eiser dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 3.1. en van de Afdeling van 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2725.
2.Zie het arrest van de Hoge Raad van 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1172. Vergelijk in die zin ook artikel 8:93 van Pro de Awb.