ECLI:NL:RBROT:2026:8825

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
ROT 25/6741
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:14 AwbArt. 2:17 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens ontbreken gronden tegen bestuurlijke boetes verkoop vapes

Eiseres kreeg bestuurlijke boetes opgelegd wegens het in strijd met de tabaks- en rookwarenwet verkopen van vapes met smaakjes. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiseres verzuimde de gronden van bezwaar in te dienen. De minister heeft meerdere pogingen gedaan om contact te krijgen met de gemachtigde van eiseres, waaronder e-mails, voicemails en een herstelverzuimbrief per post.

De rechtbank oordeelt dat de minister meer dan voldoende heeft gedaan om eiseres de gelegenheid te bieden haar gronden alsnog in te dienen. Het feit dat de berichten niet zijn aangekomen, komt voor rekening en risico van eiseres en haar gemachtigde. De rechtbank wijst het beroep af en komt niet toe aan inhoudelijke toetsing van de boetes.

Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter S.M. Goossens op 7 juli 2026 en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van gronden van bezwaar ondanks voldoende contactpogingen door de minister.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),
en
de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, thans de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(de minister)
(gemachtigden: mr. S. van der Waal en mr. J.M. Schoemaker).

Procesverloop

1. Bij besluit van 26 juni 2025 heeft de minister bestuurlijke boetes opgelegd tot een totaalbedrag van € 1.800 wegens het kortgezegd het in strijd met de tabaks- en rookwarenwetgeving verkopen van vapes met smaakjes.
2. Met het bestreden besluit van 3 september 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat is verzuimd gronden van bezwaar in te dienen.
3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. De rechtbank heeft het beroep op 15 juni 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres heeft op zijn verzoek via videoverbinding deelgenomen. De gemachtigden van de minister zijn ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

5. Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres met toepassing van artikel 6:6 en Pro artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard, omdat is verzuimd gronden van bezwaar in te dienen. Daarbij is aangegeven dat namens de minister op verschillende wijze is getracht om contact te krijgen met de gemachtigde van eiseres (de gemachtigde) om gelegenheid te bieden de gronden van bezwaar in te dienen. Er zijn op 8 juli 2025 mailberichten verzonden naar beide e-mailadressen die de gemachtigde had opgegeven, maar dat resulteerde in een foutmelding. Ook is er tweemaal een voicemail ingesproken op het door de gemachtigde opgegeven 06-nummer met het verzoek om contact op te nemen, omdat de e-mails met de ontvangstbevestiging niet bij hem bezorgd konden worden. Vervolgens is op 16 juli 2025 een brief per post naar de gemachtigde verzonden met het verzoek om binnen vier weken alsnog de gronden van het bezwaar toe te sturen. In de brief staat ook dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de gemachtigde dit niet doet. Tot op heden heeft de minister geen gronden van het bezwaar ontvangen.
6. De gemachtigde heeft in het beroepschrift van 2 september 2025 aangevoerd dat het bezwaar niet zonder te horen niet ontvankelijk kon worden verklaard. De brief van 16 juli 2025 waarbij een termijn voor het indienen van gronden is geboden, is niet ontvangen. Het ligt op de weg van de minister aangetekende verzending aannemelijk te maken. Verder is in het beroepschrift onder meer vermeld:
“Dat vervolgens onze e-mailadressen niet zouden werken is mij niets van bekend. Ik heb geen berichten gehad van cliënten noch hebben wij minder zaken aangemeld gekregen in de genoemde periode. Het ligt dan ook op de weg van verweerder aannemelijk te maken dat de e-mails niet zijn aangekomen bij ons. Ook al zouden de emailadressen niet werken, dan nóg lag het op de weg van verweerder om een aangetekende brief te sturen. Ook het inspreken van voicemails behoort niet tot de mogelijkheden die de Awb aangeeft. In alles is verweerder dus fout in deze procedure.”
7. De rechtbank komt de volgende beoordeling.
8. Uit artikel 2:14, eerste lid, van de Awb (zoals die bepaling luidde tot 1 januari 2026) volgt dat een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Uit artikel 2:17, eerste lid, (zoals die bepaling luidde tot 1 januari 2026) geldt – voor zover hier van belang – als tijdstip waarop een bericht door een bestuursorgaan elektronisch is verzonden, het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt of.
9. Uit artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb volgt dat het bezwaar- of beroepschrift ten minste de gronden van het bezwaar of beroep bevat. Uit artikel 6:6, aanhef en onder a, volgt dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of Pro aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
10. Uit artikel 7:3, aanhef en onder a, volgt dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.
11. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van 6 juli 2025 geen gronden bevat, zodat niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. De minister heeft dus kunnen vragen de gronden in te dienen. Het bezwaarschrift is verzonden vanaf een algemeen e-mailadres van de onderneming van de gemachtigde van eiseres en in het briefhoofd van het bezwaarschrift is een tweede, persoonlijk e-mailadres van gemachtigde opgenomen. De minister heeft uitdraaien overlegd waaruit blijkt dat de verzending van berichten naar beide mailadressen van de gemachtigde foutmeldingen hebben opgeleverd. Daarmee staat vast dat de berichten het systeem voor gegevensverwerking waarvan de gemachtigde gebruikt maakt, hebben bereikt. Dat de mailserver van de gemachtigde de melding gaf dat de berichten onbestelbaar waren (wegens een volle mailbox), komt voor zijn risico nu hij zelf deze mailadressen heeft vermeld en met het per mailbericht indienen van het bezwaarschrift impliciet aan de minister kenbaar heeft gemaakt op die manier bereikbaar te zijn (vgl. ECLI:NL:HR:2021:709; ECLI:NL:RVS:2023:3781 en ECLI:NL:CRVB:2022:879, punt 5.3.5). Namens de minister is vervolgens nog twee maal onverplicht een voicemail ingesproken op het door de gemachtigde doorgegeven mobiele nummer. Ten slotte stelt de minister dat zij 16 juli 2025 een herstelverzuimbrief heeft laten verzenden per gewone post. In het dossier bevindt zich een brief van die datum die is gericht aan het adres van de gemachtigde.
12. De rechtbank stelt daarom vast dat de minister meer dan het noodzakelijke heeft gedaan om eiseres de gelegenheid te bieden de gronden van het bezwaar (alsnog) in te dienen. Dat geen van de berichten van de minister eiseres of haar gemachtigde hebben bereikt, komt voor hun rekening en risico. Dat van de brief van 16 juli 2025 een verzendadministratie ontbreekt, is in dit verband niet van belang, omdat de minister niet verplicht was naast elektronische verzending over te gaan tot verzending per brief. Onder de geschetste omstandigheden hoefde de minister voorts niet een nadere belangenafweging te verrichten bij de toepassing van artikel 6:6 van Pro de Awb.
13. Van het horen kan met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is (bijv. ECLI:NL:RVS:2024:1485). Omdat de minister ondanks een geboden hersteltermijn geen gronden van bezwaar heeft ontvangen en verder niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding bij het herstellen van dat verzuim verschoonbaar kan worden geacht, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet-ontvankelijk was.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een toetsing van de gronden die zijn gericht tegen de boeteoplegging. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.