ECLI:NL:RBROT:2026:8946

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
12215687 VV EXPL 26-260
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:670b lid 2 BWArt. 7:628 lid 1 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing loonvordering in kort geding ondanks geschil over ontbinding arbeidsovereenkomst

De werknemer is sinds 10 juli 2017 in dienst bij de werkgever en was werkzaam als Technical Specialist B. Na een incident in maart 2026 en daaropvolgende officiële waarschuwingen ontstond een geschil over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer tekende twee vaststellingsovereenkomsten, waarvan hij stelt deze binnen de wettelijke bedenktijd te hebben ontbonden.

De werknemer vordert in kort geding betaling van achterstallig loon vanaf april 2026, doorbetaling van loon tot rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband, verstrekking van loonspecificaties, terbeschikkingstelling van een leaseauto en toelating tot werkzaamheden. De werkgever betwist de vorderingen.

De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt en dat de werkgever het loon moet doorbetalen omdat de werknemer niet heeft gewerkt door beslissing van de werkgever. De loonvordering inclusief wettelijke verhoging en rente wordt toegewezen. De vorderingen tot wedertewerkstelling en terbeschikkingstelling van de leaseauto worden afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en gebrek aan onderbouwing.

De proceskosten worden toegewezen conform het liquidatietarief, niet in de volledige gevorderde omvang. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter wijst alle overige vorderingen af.

Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot doorbetaling van loon en verstrekking van loonspecificaties, terwijl verzoeken tot wedertewerkstelling en leaseauto worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12215687 VV EXPL 26-260
datum uitspraak: 10 juni 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. E.A. Vroege-Scheffers,
tegen
[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H. Mouselli.
De partijen worden hierna [werknemer] en [werkgever] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 12 mei 2026 met bijlagen;
  • een usb-stick met een geluidsbestand van [werknemer] .
1.2.
De zaak is op 26 mei 2026 tijdens een mondelinge behandeling besproken. De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [werknemer] en het voorwaardelijke tegenverzoek van [werkgever] (zaaknummer 12215730 VZ VERZ 26-2279). [werknemer] was aanwezig met mr. E.A. Vroege-Scheffers en mr. J.M. Buist. Namens [werkgever] zijn verschenen [persoon A] ( HR manager ), [persoon B] (Director supply chain) en [persoon C] ( Ceo/eigenaar ) met de gemachtigde mr. H. Mouselli.
1.3.
Kort voor de mondelinge behandeling - tijdens het Pinksterweekend - heeft [werkgever] nog nadere producties ingediend. Ook zijn er pleitaantekeningen ingediend met daarin opgenomen een verweerschrift, tegenverzoeken en een conclusie van antwoord. [werknemer] heeft tegen deze late indiening bezwaar gemaakt. De kantonrechter heeft dit bezwaar gehonoreerd. [werkgever] is van gemachtigde gewisseld en daardoor in tijdnood geraakt maar dit komt voor rekening en risico van [werkgever] . De nadere producties zijn niet aan het dossier toegevoegd omdat ze te laat zijn ingediend. Dat geldt ook voor de pleitaantekeningen en de daarin opgenomen stukken. De gemachtigde heeft de gelegenheid gehad te reageren op de dagvaarding aan de hand van haar pleitaantekeningen. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.

2.Het geschil

2.1.
[werknemer] vordert samengevat:
- [werkgever] te veroordelen tot betaling van het achterstallige loon vanaf 1 april 2026 van
€ 5.092,21 bruto per maand vermeerderd met vakantiegeld en een gemiddelde toeslag van € 248,41 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;
  • [werkgever] te veroordelen tot betaling van het loon van € 5.092,21 bruto per maand inclusief emolumenten vanaf de datum van dit vonnis totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
  • [werkgever] te veroordelen deugdelijke loonspecificaties te verstrekken op straffe van verbeurte van een dwangsom;
  • [werkgever] te veroordelen de leaseauto aan [werknemer] beschikbaar te stellen;
  • [werkgever] te veroordelen over de maanden waarin de leaseauto niet ter beschikking is
gesteld een compensatie van € 848,94 per maand te betalen;
  • [werkgever] te veroordelen [werknemer] toe te laten tot zijn werkzaamheden;
  • [werkgever] te veroordelen in de volledige proceskosten van € 3.257,15, althans conform het liquidatietarief inclusief nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
[werkgever] is het niet eens met de vordering en vindt dat deze moet worden afgewezen.

3.De zaak in het kort

3.1.
[werknemer] is op 10 juli 2017 bij [werkgever] in dienst getreden waar hij laatstelijk werkzaam was in de functie van Technical Specialist B . Tussen [werkgever] en [werknemer] bestaat al een enige tijd discussie over de urenregistratie. Op 9 maart 2026 is er een incident geweest tussen [werknemer] en zijn leidinggevende [persoon D] . Daarna heeft [werkgever] aan [werknemer] tweemaal een officiële waarschuwing gegeven en hebben partijen gesprekken gevoerd over beëindiging van het dienstverband. Uiteindelijk heeft [werknemer] twee vaststellingsovereenkomsten getekend. De overeenkomsten zijn gelijk behalve dat in de eerste overeenkomst staat dat [werknemer] de overeenkomst nog kan ontbinden binnen veertien dagen (artikel 7:670b lid 2 BW). In de tweede overeenkomst staat dit niet.
3.2.
Volgens [werknemer] is de arbeidsovereenkomst niet geëindigd door de vaststellingsovereenkomsten, althans heeft hij de overeenkomsten binnen de wettelijke bedenktijd ontbonden. Hij wil onder meer dat het (achterstallige) loon wordt doorbetaald, dat hij wordt toegelaten tot zijn werkzaamheden en weer de beschikking krijgt over zijn leaseauto.
3.3.
[werkgever] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat ook zij er intussen vanuit gaat dat de arbeidsovereenkomst met [werknemer] nog voortduurt.
3.4.
Het (achterstallige) loon wordt toegewezen met de wettelijke verhoging over het loon van april en mei 2026. De kantonrechter signaleert dat de vaststellingsovereenkomsten tijdig zijn herroepen (ontbonden). De vordering tot wedertewerkstelling en het ter beschikking stellen van de leaseauto wordt afgewezen. Evenmin wordt een vergoeding voor het niet ter beschikking stellen van de leaseauto toegekend. Ten slotte wordt [werkgever] veroordeeld tot betaling van de proceskosten volgens het liquidatietarief. Hierna wordt dit verder toegelicht.

4.De beoordeling

Kort geding
4.1.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [werknemer] heeft bij toewijzing van de vordering worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [werkgever] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
4.2.
Het spoedeisend belang van [werknemer] bij zijn loonvordering volgt uit de aard van die vordering. [werknemer] heeft een inkomen nodig om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Ook de andere daarmee verband houdende vorderingen zijn voldoende spoedeisend.
Loon
4.3.
Partijen zijn het erover eens dat tussen hen nog steeds een arbeidsovereenkomst bestaat (zie 3.3. en ook 3.4.). In dit kort geding wordt in het midden gelaten hoe moet worden gedacht over de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomsten in verband met de werking van artikel 7:670b lid 2 BW. Dit komt aan de orde bij de beoordeling van de verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst die ook zijn ingediend en waarover afzonderlijk zal worden beslist.
4.4.
Artikel 7:628 lid 1 BW Pro schrijft voor dat een werkgever verplicht is het loon te (blijven) voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht, tenzij het niet verrichten van arbeid geheel of gedeeltelijk in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Van dit laatste is niet gebleken. Het is de beslissing van [werkgever] geweest om [werknemer] , ook na de brief van zijn gemachtigde van 26 maart 2026, niet meer voor het werk op te roepen. Dit betekent dat [werkgever] het loon van [werknemer] moet doorbetalen totdat het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd.
4.5.
[werkgever] heeft de hoogte van het gevorderde loon, dat wil zeggen het in de dagvaarding genoemde bedrag van € 5.092,21 bruto per maand met vakantiegeld en de in de dagvaarding genoemde toeslag, niet betwist zodat ervan wordt uitgegaan dat deze bedragen juist zijn. De loonvordering wordt dienovereenkomstig toegewezen.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
4.6.
Over het loon van de maanden april en mei 2026, dat zijn de nu vervallen maandlonen, wordt de gevorderde wettelijke verhoging wegens te late betaling toegewezen (artikel 7:625 BW Pro). Ook de gevorderde wettelijke rente over het (achterstallige) loon vanaf de datum van opeisbaarheid wordt toegewezen.
Loonspecificaties
4.7.
[werkgever] wordt veroordeeld de met de loonbetalingen corresponderende loonspecificaties aan [werknemer] te verstrekken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [werkgever] verklaard dat te zullen doen waardoor de kantonrechter geen aanleiding ziet om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden.
Wedertewerkstelling
4.8.
[werknemer] heeft - nu er over en weer ontbindingsverzoeken zijn ingediend - onvoldoende (spoedeisend) belang bij hervatting van zijn werkzaamheden. Een beslissing op de ontbindingsverzoeken volgt op korte termijn.
Leaseauto
4.9.
De vordering tot het weer ter beschikking stellen van een leaseauto, of in plaats daarvan het toekennen een vergoeding daarvoor, wordt afgewezen. In opdracht van [werkgever] is de leaseauto op 31 maart 2026 bij [werknemer] opgehaald. [werknemer] heeft niet meer gewerkt. Zakelijk gezien heeft hij de auto dus niet nodig (gehad). [werknemer] stelt dat hij de auto ook privé mocht gebruiken en dat hij dat nu niet meer kan. Dat hij voor het gemis van het privé gebruik van de auto een vergoeding wil ontvangen is begrijpelijk maar het ligt dan wel op zijn weg om het bedrag van de gevorderde vergoeding nauwkeurig te onderbouwen (ook met stukken). De enkele verwijzing naar kosten van private lease van een vergelijkbare auto met een einddatum in 2030 is ontoereikend. Omdat een voldoende onderbouwing ontbreekt wordt deze vordering afgewezen.
Proceskosten
4.10.
[werknemer] maakt aanspraak op vergoeding van door hem gemaakte juridische kosten van € 3.257,15. Hij stelt dat het handelen van [werkgever] ontoelaatbaar is en [werkgever] onrechtmatig heeft gehandeld door willens en wetens vast te houden aan het onjuiste standpunt dat door middel van de twee vaststellingsovereenkomsten het dienstverband rechtsgeldig is geëindigd. Door hier aan vast te houden was hij genoodzaakt een procedure te starten en aanzienlijke kosten te maken, aldus [werknemer] .
4.11.
Slechts bij uitzondering is plaats voor een veroordeling in de volledige kosten van juridische bijstand. Hoewel het kort geding had kunnen worden voorkomen wanneer [werkgever] eigener beweging de loonbetalingen had hervat ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding om in deze procedure [werkgever] te veroordelen in de volledige kosten van juridische bijstand. De kantonrechter zal daarom de proceskosten vaststellen conform het gebruikelijke liquidatietarief zoals [werknemer] subsidiair heeft gevorderd. Deze kosten bedragen
€ 125,57 voor de dagvaarding, € 265,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris gemachtigde en
€ 144,- aan nakosten (totaal € 1.399,57). Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis zou moeten worden betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna bepaald.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.12.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv Pro). Dit betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [werkgever] aan [werknemer] binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis het achterstallige loon vanaf 1 april 2026 te betalen, te weten € 5.092,21 bruto per maand vermeerderd met het vakantiegeld en de gemiddelde toeslag van € 248,41 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het moment dat het loon is verschuldigd tot de dag van betaling;
5.2.
veroordeelt [werkgever] aan [werknemer] vanaf de datum van dit vonnis het loon van € 5.092,21 bruto per maand inclusief emolumenten te betalen, op het gebruikelijke moment - rondom de 25e van de maand - en totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;
5.3.
veroordeelt [werkgever] aan [werknemer] binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis deugdelijke loonspecificaties te verstrekken over de maanden waarover het achterstallig loon is voldaan;
5.4.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, aan de kant van [werknemer] begroot op € 125,57 voor de dagvaarding, € 865,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris gemachtigde en
€ 144,- aan nakosten (totaal € 1.399,57). De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over deze bedragen is verschuldigd vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van betaling;
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.W. Langeler en in het openbaar uitgesproken.
540