ECLI:NL:RBROT:2026:8970

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
ROT 23/3690
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6 EVRMArt. 1 WarmtewetArt. 2 Warmtewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit ACM wegens onvoldoende motivering tarieven warmtelevering en toekenning schadevergoeding

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep van eiseres tegen de afwijzing door de ACM van een verzoek tot handhaving tegen een warmteleverancier, [derde belanghebbende] B.V. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, met name ten aanzien van de montagekosten en de verschillende berekeningsmethoden voor schouw- en installatiekosten. De ACM had op basis van de overgelegde informatie moeten concluderen dat de gehanteerde kosten niet redelijk zijn.

De rechtbank volgt de ACM niet in haar standpunt dat voor montagekosten geen onderscheid gemaakt hoeft te worden tussen typen afleversets, omdat de werkzaamheden niet nagenoeg gelijk zijn. Ook is het verschil in berekeningsmethode tussen schouwkosten (mediaan) en installatiekosten (gemiddelde) onvoldoende gemotiveerd. De ACM wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Daarnaast is de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep overschreden, waardoor eiseres recht heeft op een schadevergoeding van €4.000,-. Ook wordt de ACM veroordeeld tot betaling van een dwangsom, proceskosten en het griffierecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 24 juli 2026.

Uitkomst: Het bestreden besluit van de ACM wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en eiseres krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/3690

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[naam eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.C. Janssen),
en

Autoriteit Consument & Markt, de ACM

(gemachtigden: mr. T. Sahabi en mr. L.H. Haakman).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende] B.V.uit [plaats 2] , [derde belanghebbende]
(gemachtigden: mr. C.L. Klapwijk en mr. S.F. Silverstein).

Samenvatting

1. Deze uitspraak is een vervolg op twee tussenuitspraken en gaat over een verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen [derde belanghebbende] , dat de ACM met een besluit van 18 februari 2020 heeft afgewezen. Eiseres is het met de afwijzing niet eens. Zij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de ACM in de beslissing op bezwaar van 24 april 2023 (het bestreden besluit) ten onrechte is gebleven bij haar afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden, zodat het beroep daartegen gegrond is. Eiseres krijgt ook een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind van de uitspraak staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Voor het procesverloop tot en met de datum van de tweede tussenuitspraak van 12 december 2025 verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak (ECLI:NL:RBROT:2025:14479).
2.1.
In de tweede tussenuitspraak heeft de rechtbank de ACM in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van die tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek te herstellen.
2.2.
Op 19 december 2025 heeft de ACM de rechtbank laten weten dat zij gebruik maakt van de gelegenheid om het in de tweede tussenuitspraak geconstateerde motiveringsgebrek te herstellen, maar dat zij gelet op de samenloop met andere procedures en de beperkte beschikbaarheid van de benodigde expertise verzoekt om verlenging van de termijn voor het herstellen van het gebrek tot en met 13 februari 2026. Op 9 januari 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat de ACM tot en met 13 februari 2026 de tijd krijgt om het geconstateerde gebrek te herstellen.
2.3.
De ACM heeft in navolging van de eerste tussenuitspraak (ECLI:NL:RBROT:2025:8372) op 13 februari 2026 een wijzigingsbesluit genomen. Met dit wijzigingsbesluit heeft de ACM twee randnummers toegevoegd aan het wijzigingsbesluit van 12 september2025.
2.4.
[derde belanghebbende] heeft op 26 februari 2026 schriftelijk gereageerd op het wijzigingsbesluit van 13 februari 2026.
2.5.
Eiseres heeft op 24 maart 2026 schriftelijk gereageerd op het wijzigingsbesluit van 13 februari 2026 en op de reactie van [derde belanghebbende] .
2.6.
De rechtbank heeft bij brief van 26 mei 2026 nadere vragen aan de ACM gesteld.
2.7.
Bij brief van 15 juni 2026 heeft de ACM hierop schriftelijk gereageerd.
2.8.
Hierop heeft [derde belanghebbende] bij brief van 30 juni 2026 gereageerd.
2.9.
Eiseres heeft eveneens op 30 juni 2026 schriftelijk op de brief van de ACM gereageerd.
2.10.
De rechtbank bepaalt dat een nadere zitting achterwege blijft en sluit hierbij het onderzoek.

Overwegingen

3. De ACM heeft naar aanleiding van de eerste tussenuitspraak met het wijzigingsbesluit twee randnummers aan het bestreden besluit toegevoegd, namelijk:
60 ( a). Voorts maakt [derde belanghebbende] voor de montage van de afleverset, dat wil zeggen voor het plaatsen van een afleverset op een nieuwe locatie of het vervangen van een afleverset op een bestaande locatie, geen onderscheid naar hoofdtype afleverset. De ACM vindt het redelijk dat [derde belanghebbende] hier geen onderscheid maakt, omdat de handelingen die moeten worden verricht bij het plaatsen van een afleverset op een nieuwe locatie of het vervangen van een afleverset op een bestaande locatie nagenoeg gelijk zijn ongeacht het hoofdtype afleverset. Dit is anders bij de materiaalkosten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt op basis van de aan- of afwezigheid van het kostbaarste element, de warmtewisselaar. Dit acht de ACM redelijk, omdat de aanwezigheid van dit kostbare element bepalend is voor de hogere materiaal- en onderhoudskosten. Zoals hiervoor onder randnummer 60 is toegelicht wordt voor afleverset type B geen onderhoudskosten in rekening gebracht omdat deze bij een storing meteen wordt vervangen.”
60 ( b). Daarnaast hanteert [derde belanghebbende] voor het bepalen van de kosten voor het schouwen het middelste offertebedrag (mediaan), terwijl zij bij de montagekosten het gemiddelde bedrag van de montage zelf hanteert. De ACM vindt dit onderscheid redelijk omdat er een hoge uitschieter tussen de drie opgevraagde offertebedragen zit. Gelet daarop zou het richting de warmteverbruikers niet redelijk zijn om het gemiddelde van de drie offertebedragen te hanteren. Door het middelste bedrag te hanteren (mediaan) valt de berekening in het voordeel van de warmteverbruikers.
3.1.
In de tweede tussenuitspraak heeft de rechtbank het volgende overwogen:
4.1.
De rechtbank volgt de ACM in de eerste plaats niet in haar standpunt dat het redelijk is dat [derde belanghebbende] voor de montage van de afleverset geen onderscheid maakt naar hoofdtype afleverset. De ACM gebruikt hiervoor als argument dat de handelingen die moeten worden verricht bij het plaatsen van een afleverset op een nieuwe locatie of het vervangen van een afleverset op een bestaande locatie nagenoeg gelijk zijn, ongeacht het hoofdtype afleverset. Uit het wijzigingsbesluit volgt niet waarop de ACM de conclusie baseert dat die handelingen nagenoeg gelijk zijn. Die conclusie ligt naar het oordeel van de rechtbank niet direct voor de hand. Bij type C zit in de afleverset een extra element, namelijk de warmtewisselaar. Een afleverset met warmtewisselaar moet worden aangesloten op twee leidingenstelsels (warm water en verwarming). Zonder nadere motivering valt niet te begrijpen waarom de handelingen en dus de montagekosten voor type C dan toch nagenoeg gelijk zijn aan de handelingen en dus de montagekosten voor type B, dat maar op één leidingenstelsel moet worden aangesloten. De offertes maken ook niet duidelijk voor de montage van welke afleverset (type B of type C) een offerte is gevraagd, dus daaruit kan de rechtbank in ieder geval niet afleiden dat de montagekosten ‘nagenoeg gelijk’ zouden zijn. De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking dat de conclusie van de ACM dat sprake is van nagenoeg gelijke handelingen ook niet lijkt te stroken met het standpunt van de ACM over de onderhouds- en materiaalkosten, waarbij als rechtvaardiging voor het verschil in de kosten tussen beide types juist is gewezen op de aanwezigheid van een warmtewisselaar. Het ligt op de weg van de ACM om dit standpunt nader te motiveren.
4.2.
In de tweede plaats kan de rechtbank de ACM niet volgen in haar standpunt dat het redelijk is dat [derde belanghebbende] voor het bepalen van de kosten voor het schouwen het middelste offertebedrag (mediaan) hanteert, terwijl zij bij de montagekosten het gemiddelde bedrag van de montage zelf hanteert. Het argument van de ACM is dat er tussen de drie opgevraagde offertes een ‘hoge uitschieter’ zit bij het schouwen. Het zou volgens de ACM daarom richting de warmteverbruikers niet redelijk zijn om voor het schouwen het gemiddelde van de drie offertebedragen te hanteren. Door het hanteren van het middelste bedrag valt de berekening in het voordeel van de warmteverbruikers uit. De rechtbank stelt op basis van vertrouwelijke kennisname van de offertes echter vast dat een dergelijke ‘hoge uitschieter’ (2,5 keer zo duur als de middelste offerte) zich in diezelfde offerte eveneens voordoet bij de installatie van een nieuwe afleverset, terwijl ook bij vervanging van een afleverset de installatiekosten aanzienlijk hoger liggen bij deze offerte. [derde belanghebbende] heeft die uitschieter in de bewuste offerte wel meegenomen bij het bepalen van de daadwerkelijke installatiekosten. De rechtbank begrijpt het standpunt van de ACM dat het hanteren van de mediaan vanwege die uitschieter gunstiger is voor de warmteverbruikers dan het hanteren van een gemiddelde, omdat dit gemiddelde door die uitschieter ver boven de mediaan uitkomt. Hetzelfde argument zou echter kunnen worden gehanteerd voor de installatiekosten. De rechtbank begrijpt zonder nadere motivering dit verschil in behandeling niet en evenmin waarom het volgens de ACM überhaupt redelijk is om de offerte met de hoge uitschieters bij de vaststelling van de kosten te betrekken, als deze zo afwijkt van de beide andere offertes. Het ligt op de weg van de ACM om dit nader te motiveren.
3.2.
Naar aanleiding van de tweede tussenuitspraak heeft de ACM twee randnummers toegevoegd aan het wijzigingsbesluit:
60 ( a)(i). Ter nadere toelichting merkt de ACM op dat [derde belanghebbende] voor zowel een type B-afleverset (alleen ruimteverwarming) als een type C-afleverset (ruimteverwarming met warmtewisselaar) dezelfde werkzaamheden verricht. Het plaatsen van de afleverset, dat wil zeggen de montage of installatie, bestaat in beide gevallen uit het ophangen van de afleverset en het aansluiten van de primaire aanvoer- en retourleidingen.
60 ( a)(ii). Eventuele verschillen tussen type B en type C hebben uitsluitend betrekking op werkzaamheden aan de zijde van de binneninstallatie, die eigendom is van de warmteverbruiker. Bij een type B-afleverset sluit de warmteverbruiker (of diens installateur of projectontwikkelaar) de binneninstallatie aan op de aansluitbeugel. Bij een type C-afleverset sluit de warmteverbruiker daarnaast het deel behorende bij de warmtewisselaar aan op de binneninstallatie. Vervolgens doorlopen [derde belanghebbende] en de binneninstallateur de benodigde (test)protocollen. Nu de door [derde belanghebbende] verrichte werkzaamheden voor het plaatsen van beide typen afleversets gelijk zijn, acht de ACM het redelijk dat voor het plaatsen van de afleverset vanuit kostenoogpunt geen onderscheid wordt gemaakt naar het hoofdtype afleverset.
3.3.
Verder heeft de ACM in haar reactie van 13 februari 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat zij erkent dat bij de vaststelling van de montagekosten sprake is van een inconsistentie in de gehanteerde berekeningsmethode voor de schouwkosten enerzijds en de installatiekosten anderzijds. De ACM heeft onderzocht of dit punt nader kan worden onderbouwd, maar moet constateren dat daarvoor geen aanvullende gegevens of onderliggende afwegingen beschikbaar zijn. Een nadere inhoudelijke motivering kan de ACM daarom niet geven. De ACM conformeert zich om die reden aan het oordeel van de rechtbank dat het besluit op dit punt een motiveringsgebrek bevat.
3.4.
Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege mede betrekking op het gewijzigde besluit, nu partijen daarbij voldoende belang hebben.
3.5.
In haar brief van 26 mei 2026 heeft de rechtbank de ACM vragen gesteld over de feitelijke situatie ten aanzien van de aanwezigheid van de warmtewisselaar (voor warm tapwater) bij de bewoners van [naam locatie] , over de juridische eigendomssituatie van de warmtewisselaar en over de montagehandelingen die al dan niet door [derde belanghebbende] worden verricht bij de aansluiting van een type B-afleverset dan wel een type C-afleverset.
3.6
Eiseres stelt zich - kort samengevat en voor zover voor deze einduitspraak van belang - op het standpunt dat nog altijd sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en dat het beroep gegrond moet worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

4. Deze einduitspraak is een vervolg op de tweede tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de eerste en tweede tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
Is het motiveringsgebrek met betrekking tot de redelijkheid van de tarieven hersteld?
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ACM met de toevoeging van twee randnummers aan het wijzigingsbesluit het geconstateerde motiveringsgebrek niet hersteld.
5.1.
In haar reactie op vragen van de rechtbank heeft de ACM bevestigd dat ook in geval van een type B-afleverset sprake is van een warmtewisselaar in de woningen van [naam locatie] , maar dat deze warmtewisselaar – anders dan in geval van een type C-afleverset – in eigendom is van de bewoner. Verder heeft de ACM aangegeven dat de eerste eigenaar van het gebouw zowel bij een type B-afleverset als bij een type C-afleverset de warmtewisselaar heeft aangesloten op de aansluitbeugel. Dit standpunt acht de rechtbank moeilijk te rijmen met de stelling van de ACM dat bij een type B-afleverset de demarcatielijn op een ander punt ligt dan bij een type C-afleverset. Wanneer, zoals uit de door [derde belanghebbende] overgelegde specificatie van de (brede) afleverset en aansluitbeugel blijkt, zowel de montagebeugel als de warmtewisselaar binnen het gebied van [derde belanghebbende] liggen (dus bij een type C-afleverset), lijkt hiermee niet te verenigen dat de eigenaar van het gebouw (bewoner) beide onderdelen binnen dat gebied aan elkaar zou moeten monteren. Eerder ligt voor de hand dat in dat geval de montagekosten van de warmtewisselaar op de aansluitbeugel – anders dan bij een type B-afleverset – bij [derde belanghebbende] liggen. Om die reden acht de rechtbank nog steeds niet overtuigend gemotiveerd waarom de montagewerkzaamheden bij een type B-afleverset en een type C-afleverset dezelfde zouden zijn en in beide gevallen enkel zouden bestaan uit het ophangen van de afleverset en het aansluiten van de primaire aanvoer- en retourleidingen voor stadsverwarming.
5.2
Voor het verschil in berekeningsmethode tussen schouwkosten en installatiekosten op basis van de overgelegde offertes, heeft de ACM geen nadere motivering verstrekt. De rechtbank merkt in dit verband op dat onder het destijds geldende regime van de Warmtewet, zoals zij ook in haar eerste tussenuitspraak van 11 juli 2025 heeft overwogen, bij de beoordeling van de redelijkheid van de kosten van belang is dat deze daadwerkelijk verband houden met het ter beschikking stellen van de afleverset en dat de hoogte daarvan ook steeds herleidbaar is tot daadwerkelijk door [derde belanghebbende] gemaakte kosten. Hieraan voegt de rechtbank toe dat dit ook op een consistente wijze moet gebeuren. Daarmee is – zoals reeds in overweging 6.4.1 van de eerste tussenuitspraak is overwogen - nog steeds de kostenstructuur van de individuele warmteleverancier leidend (anders dan nu het geval is onder de Warmtewet), maar de wettelijke verplichting dat de door die leverancier gehanteerde tarieven redelijk zijn, stelt wel eisen aan de onderbouwing daarvan, ook als die tarieven in het verleden zijn vastgesteld onder het destijds geldende regime van de Warmtewet.
5.3
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat ook het nieuwe wijzigingsbesluit ten aanzien van zowel de montagekosten als het verschil in berekeningsmethode tussen schouwkosten en installatiekosten onvoldoende is gemotiveerd. Nu geen rechtvaardiging is gegeven voor het verschil in berekeningsmethode, had de ACM op basis van de overgelegde informatie moeten concluderen dat de gehanteerde kosten niet redelijk zijn. Zij had dus niet tot afwijzing van het handhavingsverzoek van eiseres mogen overgaan op de grond dat
de door [derde belanghebbende] toegepaste methode voor het bepalen van tarieven voor afleversets redelijk is.
5.4
De beroepsgrond dat sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel slaagt dan ook. Nu het beroep reeds hierom gegrond is, behoeft het beroep op strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel geen bespreking meer.
Is de redelijke termijn overschreden en heeft eiseres recht op schadevergoeding?
6. Eiseres stelt dat zij aanspraak maakt op een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM in beginsel overschreden als de bezwaarfase langer dan een half jaar heeft geduurd en de fase bij de rechtbank langer dan anderhalf jaar heeft geduurd. [1] De redelijke termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt.
6.3.
Eiseres heeft een pro forma bezwaarschrift ingediend op 19 januari 2021. In beginsel had de ACM dus al op 20 juli 2021, zes maanden na 20 januari 2021 (de veronderstelde ontvangstdatum van het pro forma bezwaarschrift), een beslissing op bezwaar moeten nemen
.
6.4.
Of de redelijke termijn is overschreden, dient nader te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Omstandigheden kunnen er toe leiden dat overschrijding van de termijn die een procedure in beginsel ten hoogste mag duren, gerechtvaardigd is.
6.5.
Volgens eerdergenoemde rechtspraak wordt bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade verondersteld. Daarbij dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
6.6.
De ACM heeft in de bezwaarfase aanleiding gezien om nader onderzoek te doen. Verder is tussen de ingebrekestelling van 27 december 2022 en het bestreden besluit van 24 april 2023 veelvuldig gecorrespondeerd tussen de ACM en eiseres. Daarnaast heeft de ACM eiseres en [derde belanghebbende] ook nog (aanvullend) gehoord op 10 maart 2023. Het is dus niet zo dat de ACM heeft stilgezeten, maar dat betekent niet dat de termijnoverschrijding in bezwaar niet aan de ACM kan worden toegerekend. De rechtbank ziet in ieder geval geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de termijnoverschrijding te wijten is aan het processuele gedrag van eiseres. Ook de ingewikkeldheid van de zaak leidt niet tot een langere termijn of tot het oordeel dat de termijnoverschrijding in bezwaar niet aan de ACM kan worden toegerekend.
6.7.
Na indiening van het pro forma beroep op 24 mei 2023 zijn ten tijde van deze uitspraak nog eens 3 jaar en 2 maanden verstreken. Dit betekent dat ook de redelijke termijn van anderhalf jaar voor de beroepsfase is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat een deel van die overschrijding rechtstreeks verband houdt met de fout die de ACM heeft gemaakt met het indienen van de vertrouwelijke stukken waar ten onrechte op stond vermeld dat het om openbare stukken ging. Deze fout heeft gevolgen gehad voor de voortvarendheid waarmee de rechtbank deze zaak heeft kunnen behandelen. Verder heeft de totale behandeling in beroep langer geduurd omdat de rechtbank pas na twee tussenuitspraken en aanvullende vragen einduitspraak kan doen. De extra tijd die dit heeft gekost komt voor rekening van de ACM omdat het gebrekkige besluit tot dit procesverloop dwong. Eiseres heeft daar geen aandeel in gehad. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook de termijnoverschrijding in beroep aan de ACM moet worden toegerekend.
6.8.
De totale termijnoverschrijding komt daarmee neer op 3 jaar en ruim 6 maanden (van 20 januari 2023 tot en met 24 juli 2026). Daarom bestaat aanleiding om aan eiseres een schadevergoeding van € 4.000,- toe te kennen, te weten 8 maal € 500,-. De rechtbank zal de ACM veroordelen dit bedrag aan eiseres te betalen.
6.9.
Zoals is overwogen in 7.1.8 in de eerste tussenuitspraak heeft eiseres terecht gesteld dat de ACM de maximale dwangsom van € 1.442,- heeft verbeurd en in het bestreden besluit ten onrechte niet die dwangsom aan haar heeft toegekend. Deze dient de ACM dan ook alsnog te betalen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, met de opdracht aan de ACM om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak (onder 5.3). Omdat de redelijke termijn is overschreden, zal de rechtbank voorts de ACM veroordelen tot betaling van schadevergoeding. Daarnaast moet de ACM de maximaal verbeurde dwangsom betalen.
7.1.
De rechtbank veroordeelt de ACM ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.903,50,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 1,5 punt (3x 0.5 punt) voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na de tussenuitspraken en de vragen van de rechtbank, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.5).
7.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal de ACM ook worden opgedragen aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 365,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de ACM een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de ACM tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 4.000,-;
- stelt de door de ACM te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- veroordeelt de ACM in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 4.903,50,-;
- bepaalt dat de ACM aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 365,- dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.V. van Baaren, voorzitter, en mr. A.C. Rop en mr. C.J. Wolswinkel, leden, in aanwezigheid van mr. M. Traousis-van Wingaarden, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:46
Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.
Artikel 6:19, eerste lid
Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Warmtewet(geldend van 1 januari 2014-31 december 2019)
Artikel 1, eerste lid
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
– afleverset voor warmte: installatie waarmee ten behoeve van warmtelevering aan een verbruiker energieoverdracht plaatsvindt tussen een warmtenet en een binneninstallatie of een inpandig leidingstelsel;
(…)
Artikel 2, derde lid
Ten aanzien van de levering van warmte brengt de leverancier ten hoogste in rekening:
a. de maximumprijs, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
b. de redelijke kosten voor het ter beschikking stellen van de warmtewisselaar, bedoeld in artikel 8, eerste lid, en
c. het tarief voor de meting van het warmteverbruik, bedoeld in artikel 8, vijfde lid.
Artikel 8, eerste lid
Een leverancier heeft tot taak er zorg voor te dragen dat binnen een redelijke termijn en
tegen redelijke tarieven en voorwaarden aan verbruikers een warmtewisselaar ter beschikking wordt gesteld door middel van verhuur wanneer
a. een bestaande warmtewisselaar dient te worden vervangen;
b. een nieuwe warmtewisselaar wordt geïnstalleerd in een nieuw gebouw.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 7 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1054.