ECLI:NL:RBROT:2026:9385

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
C/10/698053 / FA RK 25-2986 en C/10/718114 / FA RK 26-2981
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:94 BWArt. 1:99 BWArt. 1:114 BWArt. 1:156 lid 3 BWArt. 1:165 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met partneralimentatie en verdeling beperkte gemeenschap van goederen

De rechtbank Rotterdam heeft op 7 juli 2026 uitspraak gedaan in een echtscheidingszaak tussen een man en een vrouw, gehuwd sinds 8 mei 2023. Beide partijen verzochten de echtscheiding uit te spreken wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk, hetgeen door de rechtbank werd toegewezen. De man kreeg het recht tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning voor maximaal zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

De vrouw vroeg partneralimentatie van €1.575,- per maand, terwijl de man verzocht deze op nihil te stellen of te matigen. De rechtbank stelde de partneralimentatie vast op €1.487,- bruto per maand, rekening houdend met de behoefte van de vrouw, haar huidige inkomen en de draagkracht van de man volgens de alimentatienormen. De rechtbank wees een verzoek tot beperking van de duur van de alimentatie af.

Ten aanzien van de verdeling van de beperkte gemeenschap van goederen, waaronder de echtelijke woning en een eenmanszaak, bereikten partijen geen overeenstemming. De rechtbank gelastte een taxatie van de woning en bepaalde dat de woning aan de man wordt toegedeeld onder voorwaarde van financiering en ontslag van de vrouw uit hoofdelijke aansprakelijkheid. Vergoedingsrechten van de man voor hypotheekaflossingen en investeringen in de woning werden toegewezen. De verdeling van de eenmanszaak werd aangehouden voor nadere waardering en behandeling door de enkelvoudige kamer. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie vastgesteld op €1.487,- per maand, woning toegewezen aan man onder voorwaarden, verdeling gemeenschap gelast met aanhouding voor eenmanszaak.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummers / rekestnummers: C/10/698053 / FA RK 25-2986 (echtscheiding) en C/10/718114 / FA RK 26-2981 (verdeling)
Beschikking van 7 juli 2026 over de echtscheiding
in de zaak van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. B.J. Bal te Ridderkerk,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M. Verschoor te Rozenburg, gemeente Rotterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 15 april 2025;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 25 juli 2025;
  • het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 10 december 2025;
  • het aanvullende verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 8 april 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 13 april 2026;
  • het verweerschrift op het aanvullende verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 16 april 2026.
Buiten de toegestane termijn is overgelegd:
- het aanvullende verzoek van de man, ingekomen op 22 april 2026.
De rechtbank heeft aan het begin van de mondelinge behandeling beslist dit stuk toe te laten mede omdat de wederpartij daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij mogelijkheden zagen alsnog in onderling overleg tot algehele overeenstemming te komen. Partijen is verzocht de rechtbank binnen twee weken te informeren over het resultaat van hun overleg. De rechtbank heeft naar aanleiding daarvan ontvangen:
  • het bericht van de man van 6 mei 2026;
  • het bericht van de vrouw van 7 mei 2026.
Uit deze berichten blijkt dat het partijen niet is gelukt overeenstemming te bereiken. De rechtbank zal daarom beslissen op de verzoeken die voorliggen. Op de overige inhoudelijke mededelingen van partijen in deze berichten heeft de rechtbank geen acht geslagen omdat partijen daartoe niet door de rechtbank in de gelegenheid zijn gesteld.

2.De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaatsnaam] op [datum] .
2.2.
In het kader van voorlopige voorzieningen is bij beschikking van deze rechtbank van 25 augustus 2025, voor zover hier relevant, bepaald dat:
  • de man met ingang van 1 september 2025 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres ] ;
  • de man met ingang van 1 september 2025 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) zal verstrekken van
€ 1.458,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
2.3.
De vrouw heeft een dochter uit een andere relatie, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

3.De beoordeling

3.1.
Ingetrokken verzoek
3.1.1.
De vrouw heeft haar verzoek ten aanzien van het voortgezet gebruik tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. De rechtbank hoeft dus niet meer op dit verzoek te beslissen.
3.2.
Scheiding
3.2.1.
De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
3.2.2.
De vrouw betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek eveneens de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
3.2.3.
De verzochte echtscheiding zal, als door beide partijen verzocht en op de wet gegrond, worden uitgesproken.
3.3.
Voortgezet gebruik woning
3.3.1.
De man verzoekt – naar de rechtbank begrijpt en bij wijze van zelfstandig verzoek –
het voortgezet gebruik van de woning totdat de woning is overgedragen.
3.3.2.
De vrouw voert geen verweer.
3.3.3.
De rechter kan bepalen dat één van de echtgenoten tot zes maanden na inschrijving van deze echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand het voortgezet gebruik van de woning zal hebben (artikel 827 lid 1 sub d Rv Pro en artikel 1:165 BW Pro).
3.3.4.
Het verzoek van de man zal worden toegewezen omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond, met dien verstande dat de termijn op grond van de wet maximaal zes maanden na de echtscheiding bedraagt. De rechtbank zal op die manier beslissen, omdat op dit moment onduidelijk is wanneer de woning wordt overgedragen.
3.4.
Onderhoudsbijdrage
3.4.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) van € 1.575,- per maand vast te stellen.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer. De man verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek ten aanzien van de partneralimentatie te bepalen, dat deze op grond van de
omstandigheden op nihil wordt gesteld:
  • primair per de datum van de echtscheidingsbeschikking;
  • subsidiair per 1 september 2026;
  • meer subsidiair per een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
althans een matiging van de onderhoudsplicht van de man door de rechtbank in omvang en tijd in goede justitie te bepalen.
3.4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.4.4.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen partneralimentatie in geschil. De rechtbank zal de partneralimentatie berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).
De ingangsdatum
3.4.5.
Nu geen ingangsdatum is verzocht, zal de partneralimentatie worden vastgesteld met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Behoefte
3.4.6.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie berekend moet worden aan de hand van de zogenaamde ‘hofnorm’ zodat de vrouw behoefte heeft aan 60% van het voor partijen beschikbare netto besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk, omdat een alleenstaande in zijn algemeenheid duurder uit is dan een gehuwde.
3.4.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw € 3.370,- per maand bedraagt in 2025 aan de hand van een netto gezinsinkomen van € 5.617,- per maand. In dat bedrag is echter geen rekening gehouden met de kosten van [minderjarige] , die tot het gezin van partijen behoorde, voor zover die kosten niet werden gedekt door de kinderbijslag en de kinderalimentatie die de vrouw ontving van de vader van [minderjarige] . De man heeft onbetwist gesteld dat dat bedrag, te weten het eigen aandeel van de vrouw, € 300,- per maand bedraagt. Voornoemd gezinsinkomen moet dus nog worden verminderd met het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige] (€ 5.617,- - € 300,- = € 5.317,- per maand). De netto behoefte van de vrouw bedraagt 60% van dit bedrag, zijnde € 3.190,-. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 3.337,- per maand.
Behoeftigheid
3.4.8.
De man voert aan dat de vrouw in staat is fulltime te werken, zodat haar inkomen € 2.500,- bruto per maand bedraagt. De vrouw betwist dit gemotiveerd.
3.4.9.
De vrouw heeft tijdens de relatie/het huwelijk altijd parttime gewerkt zodat zij het grootste deel van de zorg voor [minderjarige] kon dragen. De man heeft daar tot op zekere hoogte ook begrip voor, maar hij wil de financiële gevolgen daarvan na de echtscheiding niet dragen omdat het zijn mogelijkheden beperkt om de woning over te nemen.
3.4.10.
Uit de stukken die door de vrouw zijn overgelegd blijken haar inkomsten in de jaren 2019 tot en met 2022. Met uitzondering van 2020 bedroeg het verzamelinkomen van de vrouw steeds ongeveer € 20.000,- bruto per jaar. Tijdens het huwelijk werkte de vrouw vijf dagen in de slijterij waarbij de man haar ’s middags afloste. In de weekenden wisselden partijen de werkzaamheden in de slijterij af. De vrouw onttrok destijds € 1.400,- netto per maand aan de onderneming, wat ongeveer gelijk is aan het inkomen dat de vrouw ten tijde van de mondelinge behandeling in april 2026 in loondienst verdiende. Het bruto-inkomen van de vrouw bedroeg toen namelijk € 18.720,- per jaar exclusief vakantietoeslag. Omdat dit inkomen ongeveer gelijk is aan wat de vrouw gemiddeld genomen tijdens de relatie/het huwelijk verdiende, ziet de rechtbank geen aanleiding de vrouw een verdiencapaciteit toe te kennen zoals door de man verzocht. Voor de bepaling van haar aanvullende behoefte zal de rechtbank dan ook rekening houden met genoemd inkomen.
Huidig inkomen vrouw
3.4.11.
Ten tijde van de mondelinge behandeling werkte de vrouw in loondienst bij een kledingwinkel. De arbeidsovereenkomst van de vrouw is per 31 mei 2026 beëindigd. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling kenbaar gemaakt dat zij aan het solliciteren is en van plan is te blijven werken, zoals zij altijd heeft gedaan. De rechtbank gaat ervan uit dat zij een inkomen kan verdienen gelijk aan haar laatste baan in de kledingwinkel, zodat de rechtbank haar huidige netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) zal berekenen aan de hand van haar laatstverdiende salaris.
3.4.12.
De rechtbank zal de vrouw volgen in haar berekening (productie 19) en (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) haar huidige NBI aan de hand van de tarieven 2026-1 bepalen op € 1.594,- per maand. Rekening is gehouden met de volgende gegevens:
- basisloon € 18.720,- per jaar
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 34,- per maand
- netto premie WGA/WHK € 12,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
De rechtbank houdt geen rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat de vrouw hier nog maar enkele maanden recht op heeft en het betrekking heeft op een kind waarvoor de man niet alimentatieplichtig is.
3.4.13.
De rechtbank houdt onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.6. van de uitspraak van de Hoge Raad van 7 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1273) geen rekening met het eigen aandeel van de vrouw inzake de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] omdat het aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige] volledig wordt gedekt door het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop die de vrouw zal ontvangen. Het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop tezamen (€ 6.720,- / 12 = € 560,- per maand, zoals volgt uit de aan deze beschikking gehechte berekening) is namelijk hoger dan het aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige] (door de man onbetwist gesteld op € 300,- per maand).
3.4.14.
Gelet op voorgaande moet op de geïndexeerde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw haar huidige inkomen in mindering te worden gebracht, waarna een aanvullende behoefte van € 1.743,- netto per maand resteert, ofwel € 3.246,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.
Draagkracht man
3.4.15.
De man betwist dat hij draagkracht heeft om de gevraagde bijdrage te voldoen.
3.4.16.
De rechtbank zal de draagkracht van de man berekenen aan de hand van de
aanbevelingen opgenomen in het rapport.
3.4.17.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van de tarieven 2026-1 op € 4.163,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de salarisspecificatie van maart 2026):
- basisloon € 5.875,-
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
- pensioenpremie € 222,-
- aanv. pensioenpremie € 121,-
- bijdrage PAWW € 6,-
- WGA-hiaat € 9,-.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting.
3.4.18.
De draagkracht van de man moet worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 60% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)].
3.4.19.
Uit de aan deze beschikking gehechte berekening volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in totaal € 2.614,- per maand bedraagt, zodat een draagkrachtruimte van € 1.549,- per maand resteert. Van deze draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor de partneralimentatie, zijnde een bedrag van € 929,- per maand.
Inkomensvergelijking (voorheen jusvergelijking)
3.4.20.
De man verzoekt de rechtbank een vergelijking te maken van de bedragen die partijen na betaling van de partneralimentatie feitelijk netto te besteden hebben, waarbij aan de zijde van de vrouw rekening moet worden gehouden met de toeslagen die zij voor [minderjarige] ontvangt.
3.4.21.
In het algemeen geldt dat de partner die alimentatie ontvangt niet in een betere financiële positie mag komen door de partneralimentatie dan de onderhoudsplichtige. De rechter kan op verzoek van partijen hun – na betaling van de partneralimentatie resterende – inkomens met elkaar vergelijken door te berekenen bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is. Eventuele bijzondere niet verwijtbare en niet vermijdbare lasten aan de zijde van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde worden niet meegenomen in de vergelijking. Dit geldt ook voor eventuele kosten van kinderen, voor zover deze hoger zijn dan een te ontvangen kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop door de betreffende partij. De rechtbank houdt, onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.4.13 bij de inkomensvergelijking dan ook geen rekening met het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.
3.4.22.
De vergelijking van de inkomens van beide partijen geeft naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding de partneralimentatie op een ander bedrag vast te stellen dan de draagkrachtruimte van de man toelaat. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.
Limitering
3.4.23.
De man verzoekt – naar de rechtbank begrijpt – op grond van artikel 1:156 lid 3 BW Pro de partneralimentatie toe te kennen voor een kortere termijn, al dan niet in de vorm van een geleidelijke vermindering tot nihil. Dat zal in het algemeen redelijk zijn wanneer verwacht mag worden dat de alimentatiegerechtigde op een bepaald moment op voor hem of haar passende wijze in het eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien door (meer) te gaan werken. De Hoge Raad heeft aan rechterlijke uitspraken die praktisch een einde maken aan het recht op levensonderhoud hoge motiveringseisen gesteld en een daarmee corresponderende zware stelplicht voor de alimentatieplichtige (HR 18 april 1997,
NJ1997/571 en HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7000).
3.4.24.
De man heeft gesteld dat de hele gang van zaken – en met name ook de procedurele houding van de vrouw - tot een voor hem uiterst onredelijk gevolg leidt namelijk een voortdurende onderhoudsplicht die niet in verhouding staat tot de duur van het huwelijk waar geen kinderen uit geboren zijn, althans de duur van de feitelijke samenwoning. De man brengt naar voren dat hij ook al gehouden is een voorlopige partneralimentatie te voldoen zodat de feitelijke duur van zijn onderhoudsverplichting al helemaal niet in verhouding staat tot de duur van het huwelijk. Daarbij benoemt de man ook dat de vrouw geen gebruik maakt van haar verdiencapaciteit en zij allerlei toeslagen ontvangt, waarvan de hoogte afhankelijk is van haar inkomen. Tot slot voert de man aan, naar de rechtbank begrijpt op grond van artikel 1:401 BW Pro, dat het ongewijzigd toepassen van de gebruikelijke richtlijnen in deze fase niet langer van hem gevergd kan worden. De rechtbank ziet in wat de man naar voren heeft gebracht geen bijzondere feiten en omstandigheden die limitering rechtvaardigen, zodat de rechtbank voorbijgaat aan het verzoek van de man. Dat er sprake is van opzettelijk traineren van de procedure met als enig doel een langere partneralimentatie, is de rechtbank niet gebleken. De duur van de voorlopige partneralimentatie speelt in dit kader naar het oordeel van de rechtbank ook geen rol omdat een dergelijke bijdrage beperkt is tot de duur van de procedure en niet ziet op de periode daarna. Dat de vrouw geen gebruik zou maken van haar verdiencapaciteit ligt ter beoordeling voor in het kader van de behoeftigheid. Ook daarin ziet de rechtbank onvoldoende reden om de bijdrage feitelijk (nagenoeg) direct op nihil te stellen. De rechtbank gaat ook voorbij aan wat namens de man naar voren is gebracht op grond van artikel 1:401 BW Pro. Een voorlopige partneralimentatie op grond van artikel 822 Rv Pro kan niet op grond van artikel 1:401 BW Pro gewijzigd worden. Er is sprake van een eerste vaststelling in het kader van de echtscheidingsprocedure, niet van een wijziging.
Conclusie
3.4.25.
Er resteert een bedrag van € 929,- netto per maand, ofwel € 1.487,- bruto per maand, waarbij de rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekening.
3.4.26.
Derhalve is een partneralimentatie van € 1.487,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen.
3.4.27.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.5.
Verdeling
3.5.1.
Partijen zijn na 1 januari 2018 in het huwelijk getreden, zodat zij in een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
3.5.2.
De man verzoekt – na aanvulling en wijziging – te bepalen dat partijen overgaan tot de verdeling van de tussen hen geldende beperkte gemeenschap van goederen, waarbij de wijze van verdeling als volgt zal hebben te gelden:
toedeling van de echtelijke woning aan de man tegen de waarde van € 480.000,-, onder voorbehoud van financiering en ontslag hoofdelijkheid van de vrouw voor de thans lopende financiering, onder vergoeding van de vrouw van haar aandeel in de door de rechtbank vast te stellen overwaarde van de woning;
toedeling aan eenieder van dat deel van de gemeenschappelijke inboedel, dat hij/zij thans onder zicht heeft, alles met gesloten beurzen;
toedeling van de activa en (draagplicht voor de) passiva van de eenmanszaak ‘ [eenmanszaak] ’ aan de vrouw, onder de verplichting van de vrouw om aan de man te vergoeden de helft van de door de rechtbank vast te stellen waarde, welke vergoeding door de man
primairbij gebrek aan inzicht wordt gesteld op € 17.500,-, zijnde de helft van de door hem gestelde en getoonde saldi op de bankrekeningen op naam van de eenmanszaak van € 23.871,31 (productie 35) en de helft van de verkoopopbrengsten die de vrouw nog blijkens die productie heeft weten te realiseren na 20 februari 2025, vermeerderd met de helft van de kastegoeden en nadere te gelde making die de vrouw heeft kunnen uitvoeren in het kader van de staking,
subsidiairop de helft van de door de vrouw met hierna onder 4 geformuleerde stukken te onderbouwen netto (stakings)waarde van de activa en passiva van eenmanszaak [eenmanszaak] ;
alsmede:
4. te bepalen dat de vrouw gehouden is de man binnen veertien dagen na de door de rechtbank in deze te geven beschikking te voldoen een bedrag ad € 819,40, zijnde de helft van de door de man ten behoeve van partijen betaalde verplichting bij het SVHW, zoals deze blijkt uit productie 28;
5. te verklaren voor recht, dat de man een direct opeisbaar vergoedingsrecht heeft op de vrouw wegens voor haar betaalde bedragen uit hoofde van notariële verplichtingen en verbouwingen aan de woning en de tuin ter grootte van
€ 31.198,68 en daarbij te bepalen, dat de vrouw deze vergoeding betaald dient te hebben binnen veertien dagen na de door de rechtbank in deze af te geven beschikking, althans een verklaring dan wel bepaling aangaande een vergoedingsbedrag ten laste van de vrouw ten bate van de man door de rechtbank qua formulering, omvang en betalingstermijn in goede justitie te bepalen;
6. te verklaren voor recht, dat de man een direct opeisbaar vergoedingsrecht heeft op de vrouw ter grootte van € 22.744,- wegens ten behoeve van de vrouw betaalde kosten van de huishouding voorafgaand aan het huwelijk en daarbij te bepalen, dat de vrouw deze vergoeding betaald dient te hebben binnen veertien dagen na de rechtbank in deze afte geven beschikking, althans een verklaring danwel bepaling aangaande een vergoedingsbedrag ten laste van de vrouw door de rechtbank qua formulering, omvang en betalingstermijn in goede justitie te bepalen;
7. te verklaren voor recht, dat de man een direct opeisbaar vergoedingsrecht heeft op de vrouw ter grootte van € 10.050,- wegens de omvang van het saldo op de bankrekening met [rekeningnummer 1] ten tijde van het wijzigen van de tenaamstelling van de naam van de man naar de naam van beide partijen en daarbij te bepalen, dat de vrouw deze vergoeding betaald dient te hebben binnen veertien dagen na de door de rechtbank in deze af te geven beschikking, althans een verklaring danwel bepaling aangaande een vergoedingsbedrag ten laste van de vrouw door de rechtbank qua formulering, omvang en betalingstermijn in goede justitie te bepalen;
8. te verklaren voor recht, dat als privé-eigendom van de man hebben te gelden:
a. het DeGiro beleggingsaccount op naam van de man;
b. de ABN AMRO bankrekening [rekeningnummer 2] op naam van de man;
c. de ABN AMRO bankrekening [rekeningnummer 3] op naam van de man;
d. de Rabo DirectRekening met [rekeningnummer 4] op naam van de man;
e. de Rabo SpaarRekening met [rekeningnummer 5] op naam van de
man;
f. de SamSung TV met Surroundset als weergegeven in productie 11;
g. de hoekbank als weergegeven in productie 12;
h. de Newhaven eettafel en de Calira fauteuil als weergegeven in productie 13;
i. het ledikant met lattenbodems, matras en kussens als omschreven in productie 14;
j. de wasdroger van het merk Bosch als beschreven in productie 15;
k. de huishoudapparatuur aangeschaft bij Coolblue op 5 juni 2020, 29 december
2020, 23 februari 2021, 19-7-2021 en 28-8-2021, waaronder (en dus niet limitatief), de wasmachine, de stofzuiger(robot), de Dyson handstofzuiger, Airfryer en overige keukenapparatuur;
l. de eetkamerstoelen aangeschaft bij JP Haarlem Delivery op 3 september 2020;
m. de pannen en messen-set aangeschaft bij Blokker op 24-11-2020;
n. de op 13-8-2021 en 23-8-2021 betaalde Veneta zonwering, zoals luxaflex en shutters;
o. de meubelen gekocht bij Max wonen, betaald op 27-8-2021 en 29-8-2021, waaronder woonkamerkast en TV-dressoir en
p. de inloopkast op de slaapkamer;
en dat deze zaken derhalve buiten de verdeling van partijen vallen.
9. te bepalen, althans te verklaren voor recht, dat de vrouw aan de man zal dienen te vergoeden de helft van alle door de man aantoonbaar uitgevoerde aflossingen op de gemeenschappelijke hypothecaire schuld bij Aegon met leningnummer [nummer] over de periode van 16 april 2025 tot en met de datum dat deze gemeenschappelijke hypothecaire schuld geheel is afgelost, danwel de aflosverplichtingen uit hoofde van deze hypothecaire schuld niet langer meer gemeenschappelijk zijn, althans een verklaring dan wel bepaling van een vergoedingsbedrag ten laste van de vrouw ten bate van de man als gevolg van de aflossingen door de man op de gemeenschappelijke hypothecaire schuld door de rechtbank qua formulering en omvang in goede justitie te bepalen.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn oorspronkelijke verzoek onder randnummer 4. (ten aanzien van het overleggen van stukken ter bepaling van de waarde van de eenmanszaak) ingetrokken. De rechtbank hoeft dus niet meer op dit verzoek te beslissen.
3.5.3.
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek:
a) te bepalen dat partijen dienen over te gaan tot een taxatie van de echtelijke woning door een door partijen gezamenlijk aan te wijzen makelaar;
b) te bepalen dat beide partijen volledig inzage verschaffen in alle privé en zakelijke rekeningen vanaf 2020 en waarbij beide partijen een overzicht verstrekken met betrekking tot gedane opnames;
c) te bepalen dat de zakelijke tegoeden van de onderneming na betaling van de zakelijke verplichtingen, gelijkelijk worden verdeeld en te bepalen dat de man over de jaren 2023 tot 2025 inzage verschaft in:
o de banktransacties;
o de stukken en overzichten;
o de inkoop en verkoopfacturen;
o de kas en voorraadgegevens;
o de correspondentie met de belastingadviseur over de staking van de onderneming
o de volledige concepten voor wat betreft de aangifte IB.
d) te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht toekomt ten bedrage van € 4.060,-;
e) te bepalen dat de man ter zake van een vergoedingsrecht aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 31.399,12;
f) te bepalen dat de tot de echtelijke woning behorende inboedel gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld.
Het primaire standpunt van de vrouw
3.5.4.
De rechtbank begrijpt dat de vrouw zich primair op het standpunt stelt dat partijen hebben samengeleefd alsof er een algehele gemeenschap van goederen tijdens het huwelijk (en de samenwoning van partijen) is geweest en dat daarom de verdeling moet plaatsvinden alsof partijen in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Partijen hebben vanaf dag één geleefd en gehandeld alsof er een algehele gemeenschap van goederen was, aldus de vrouw.
3.5.5.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.5.6.
De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde gronden niet leiden tot het door haar gewenste rechtsgevolg, te weten dat de beperkte gemeenschap buiten beschouwing moet worden gelaten. De vrouw verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar het concept van het samenlevingscontract, maar daaruit volgt juist dat inkomen en vermogen niet met elkaar wordt gedeeld. Als partijen waren overgegaan tot het ondertekenen van het samenlevingscontract (in plaats van trouwen in een beperkte gemeenschap van goederen) waren de gevolgen verstrekkender geweest dan nu het geval is. Als partijen hadden willen afwijken van de beperkte gemeenschap hadden zij huwelijkse voorwaarden in de zin van artikel 1:114 BW Pro moeten opmaken. Dat hebben partijen niet gedaan. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het standpunt van de vrouw.
Verdeling beperkte huwelijksgemeenschap
3.5.7.
Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Partijen stellen over en weer onvoldoende om de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen. De rechtbank zal daarom de wijze van verdeling gelasten, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang op grond van artikel 3:185 BW Pro.
3.5.8.
Voor zover de gelaste wijze van verdeling inhoudt dat het betreffende goed aan de andere partij wordt toegedeeld, moet voor de overgang van dat goed nog een leveringshandeling door partijen worden verricht op dezelfde manier als voor overdracht is voorgeschreven (artikel 3:186 lid 1 BW Pro).
3.5.9.
De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW Pro alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding verkregen. Hiervan zijn uitgezonderd: goederen verkregen door erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift, pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is, alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen, rechten op het vestigen van vruchtgebruik als bedoeld artikel 1:94 lid 2 aanhef Pro en onder c BW.
Op grond van artikel 1:94 lid 3 BW Pro omvat de gemeenschap daarnaast giften van tot de gemeenschap behorende goederen aan de andere echtgenoot en goederen, als ook de vruchten van die goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking of bij de gift is bepaald dat zij in de gemeenschap vallen.
3.5.10.
Goederen en schulden die aan een van de echtgenoten op een bijzondere wijze verknocht zijn, vallen op grond van artikel 1:94 lid 5 BW Pro slechts in de gemeenschap voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.
3.5.11.
Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW Pro alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder Pro a tot en met c BW.
3.5.12.
Bestaat tussen echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden een goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan wordt dit goed op grond van artikel 1:94 lid 8 BW Pro als gemeenschapsgoed aangemerkt. Het vermoeden werkt niet ten nadele van de schuldeisers van de echtgenoten.
Wettelijke peildatum
3.5.13.
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef Pro en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 15 april 2025.
3.5.14.
Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard.
3.5.15.
Voor een schuld vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.
3.5.16.
De rechtbank bespreekt hierna de bestanddelen die volgens partijen, dan wel één van hen, tot de beperkte gemeenschap van goederen behoren.
Echtelijke woning [adres ] en de daarop rustende hypothecaire schuld
3.5.17.
Partijen verzoeken over en weer de woning aan de man toe te delen, waarbij de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening.
3.5.18.
Partijen zijn het niet eens over de waarde waarvoor de woning aan de man moet worden toegedeeld. De man wil uitgaan van de getaxeerde waarde in het kader van de mediation per 27 januari 2025, de vrouw meent dat van de huidige waarde uitgegaan dient te worden. Omdat de verdeling nog dient plaats te vinden en partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de peildatum, zal de rechtbank uitgaan van de waarde per datum verdeling, oftewel ‘nu’. De rechtbank zal bepalen dat de woning opnieuw getaxeerd moet worden. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij drie makelaars heeft uitgezocht waar de vrouw uit kan kiezen. De vrouw dient binnen een week na deze beschikking aan te geven welke van de drie door de man voorgestelde makelaars de woning opnieuw dient te taxeren.
3.5.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overwaarde die bij helfte verdeeld moet worden. Toedeling van de woning aan de man kan alleen plaatsvinden als hij in staat is de toedeling te financieren. Hij is echter vooralsnog niet in staat gebleken de hypothecaire geldlening over te nemen onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank zal hiermee rekening houden en de wijze van verdeling van de woning gelasten als hierna in het dictum vermeld.
Vergoedingsrecht aflossing hypotheek
3.5.20.
De man stelt dat hij een vergoedingsrecht heeft op de vrouw, omdat hij sinds
16 april 2025 de volledige aflossing van de hypotheek heeft voldaan. De man heeft onbetwist gesteld dat hij vanaf die datum de aflossingen op de hypotheek alleen heeft verricht, terwijl partijen allebei de helft hadden moeten voldoen. Zoals hiervoor is overwogen, zal de woning, onder de voorwaarde dat hij in staat is de overname te financieren, aan de man worden toegedeeld, waarbij voor de stand van de hypotheek uitgegaan zal worden van de datum van overdracht van de woning. De man heeft dan ook een vergoedingsrecht jegens de vrouw ter hoogte van de helft van de gedane aflossingen voor de periode van 16 april 2025 tot aan de datum van overdracht van de woning. De rechtbank zal bepalen dat de vrouw dit bedrag mag betalen vanuit haar deel van de overwaarde van de woning. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.
Vergoedingsrecht investeringen woning
3.5.21.
De man stelt dat hij een nominaal vergoedingsrecht heeft op de vrouw omdat hij vanuit zijn privévermogen betalingen heeft verricht aan de notaris ten bedrage van € 19.606,80 en investeringen heeft gedaan in de echtelijke woning ten bedrage van € 42.790,55. De vrouw dient de helft daarvan aan de man te vergoeden, zodat de man een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van (€ 19.606,80 / 2 = € 9.803,40) + (€ 42.790,55 / 2 = € 21.395,28) = € 31.198,68.
3.5.22.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.5.23.
Het verweer van de vrouw ziet erop dat zij de door de man gedane investeringen als gemeenschappelijk heeft ervaren. Dat is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gespecificeerd welke bedragen hij vanuit privévermogen heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning, hetgeen de vrouw onvoldoende heeft betwist. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook toewijzen, met dien verstande dat de rechtbank zal bepalen dat de vrouw dit bedrag mag betalen vanuit haar deel van de overwaarde van de woning.
Inboedel
3.5.24.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij de persoonlijke spullen van de vrouw en [minderjarige] heeft ingepakt in dozen. Deze dozen staan klaar om door de vrouw opgehaald te worden. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in onderling overleg een dag en tijdstip afspreken waarop de vrouw deze spullen kan ophalen bij de woning.
3.5.25.
De rechtbank gaat ervan uit dat hiermee alle geschillen over de inboedelgoederen zijn opgelost. Voor zover er sprake is van overige nog niet verdeelde gemeenschappelijke inboedelgoederen, zal de rechtbank bepalen dat die goederen bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld zonder nadere verrekening.
SVHW
3.5.26.
Partijen zijn het erover eens dat de aanslag over 2025 door beide partijen voor de helft gedragen had moeten worden. De man heeft de aanslag betaald. De rechtbank zal de overeenstemming tussen partijen, dat de vrouw haar deel (€ 819,40) aan de man mag betalen vanuit haar deel van de overwaarde van de woning, opnemen.
Saldi bankrekening
3.5.27.
Partijen zijn het met elkaar eens dat de saldi van de gemeenschappelijke bankrekeningen al zijn verdeeld. Partijen hebben niet verzocht dat eventuele saldi op privérekeningen van partijen nog verdeeld moeten worden, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.
[eenmanszaak]
3.5.28.
Partijen hebben tijdens het huwelijk, op naam van de vrouw, een slijterij genaamd [eenmanszaak] geëxploiteerd. De ondernemingsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. Niet ter discussie staat dat de waarde van de eenmanszaak bij helfte dient te worden verdeeld.
3.5.29.
Een eenmanszaak is geen goed dat in de wettelijke gemeenschap van goederen valt en kan als zodanig niet worden verdeeld. Een eenmanszaak heeft geen afgescheiden vermogen. Het ondernemingsvermogen bestaande uit activa (waaronder eventueel goodwill) en passiva valt in de wettelijke gemeenschap van goederen. De activa kunnen worden verdeeld, waarbij als uitgangspunt voor de waardering het tijdstip van feitelijke verdeling geldt, tenzij partijen een ander tijdstip met elkaar zijn overeengekomen of de redelijkheid en billijkheid zich tegen dat tijdstip verzetten. Een schuld is geen goed en kan als zodanig niet worden verdeeld. Beide partijen zijn in beginsel ieder voor de helft draagplichtig voor de schulden die op de peildatum aanwezig zijn.
3.5.30.
De man stelt dat hij geen inzicht heeft in de financiën van de slijterij, terwijl de vrouw stelt dat de boekhouding en administratie volledig wordt beheerd door de man.
3.5.31.
Tussen partijen staat vast dat de eenmanszaak inmiddels is gestaakt. Het vaststellen van het bedrag dat tussen partijen voor verdeling in aanmerking komt, zou daarmee relatief eenvoudig kunnen zijn, als alle informatie voorhanden is. De rechtbank ziet op die grond geen reden om, zoals de vrouw heeft verzocht, een deskundige te benoemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de boekhouder van partijen in staat moet zijn om de benodigde stukken te verzamelen en op basis daarvan de laatste winst- en verliesrekening en de daaropvolgende stakingsbalans op te stellen. De kosten van een externe deskundige wegen naar alle waarschijnlijkheid niet op tegen de te verdelen waarde.
De rechtbank zal de zaak op dit punt moeten aanhouden en verwijzen naar de enkelvoudige kamer (in beginsel bij mr. S.L. Raphael). De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om, binnen een week na deze beschikking, de betrokken boekhouder opdracht te geven voor het opmaken van de winst- en verliesrekening, tevens stakingsbalans op basis van alle informatie die de boekhouder nodig heeft en die partijen op eerste verzoek van de boekhouder aan hem/haar dienen aan te leveren. De boekhouder zal daarbij ook rekening moeten te houden met de voorraad die door partijen dan wel één van hen is meegenomen en de inventaris die is verkocht. Partijen worden twee weken na het opmaken van de stukken door de boekhouder in de gelegenheid gesteld om de laatste winst- en verliesrekening en de daaropvolgende stakingsbalans, voorzien van een door ieder der partijen opgesteld concreet voorstel voor verdeling en de eventuele geschilpunten aan de rechtbank toe te sturen met daarbij de proceswensen, voor zover het partijen niet lukt om in onderling overleg tot overeenstemming te komen.
Verzoeken op grond van artikel 827 lid 1 onder Pro g Rv
3.5.32.
Op grond van artikel 827 lid 1 onder Pro g Rv kan de rechtbank op verzoek een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen a tot en met f bij de echtscheiding treffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van onnodige vertraging, zodat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke behandeling van onderstaande verzoeken.
Vergoedingsrechten ontstaan vóór het huwelijk
3.5.33.
Partijen hebben over en weer verzoeken gedaan ter zake de vergoeding van betalingen verricht voorafgaand aan het huwelijk. Het betreft de verzoeken door de man gedaan onder 7. en 8. en door de vrouw gedaan onder h) en i). Ten aanzien daarvan overweegt de rechtbank als volgt.
3.5.34.
De rechtbank kan, nu niet alle relevante geldstromen inzichtelijk zijn gemaakt, niet vaststellen of en zo ja, in welke mate partijen een vergoedingsrecht hebben jegens de ander. De man heeft verder niet inzichtelijk gemaakt of het saldo van zijn privérekening, waarvan de tenaamstelling voorafgaand aan het huwelijk is gewijzigd, is besteed aan privéuitgaven of gemeenschapsuitgaven. Van een vergoedingsrecht kan alleen al daarom geen sprake zijn. Verder geldt dat als de vrouw inboedelgoederen heeft aangeschaft voor het huwelijk, die zaken nog altijd haar eigendom zijn. Voor een nominale vergoeding, zoals de vrouw verzoekt, is dan ook geen plaats.
3.5.35.
Gelet op voorgaande zal de rechtbank deze verzoeken afwijzen.
Verklaring voor recht privévermogen man
3.5.36.
De man heeft naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij een verklaring voor recht ten aanzien van zijn privévermogen. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
3.5.37.
Samenvattend zal de rechtbank alleen de financiële afwikkeling van genoemde slijterij aanhouden en verwijzen naar de enkelvoudige kamer. Ten aanzien van de overige verzoeken zal de rechtbank beslissen omdat het in het belang is van beide partijen dat er stappen kunnen worden gezet ten aanzien van de rest van de verdeling en het om het gelasten van de wijze van verdeling gaat.
3.6.
Proceskosten
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/698053 / FA RK 25-2986:
3.6.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/718114 / FA RK 26-2981:
3.6.2.
Omdat ten aanzien van de verdeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

4.De beslissing

De rechtbank:
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/698053 / FA RK 25-2986:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 8 mei 2023 te Goeree-Overflakkee;
4.2.
bepaalt dat de man, als hij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres ] , die aan de vrouw uitsluitend of onder andere toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking;
4.3.
kent ten laste van de man aan de vrouw een partneralimentatie toe van € 1.487,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.5.
wijst af het meer of anders verzochte;
4.6.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding en de partneralimentatie;
in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/718114 / FA RK 26-2981:
4.7.
gelast de wijze van verdeling van de gemeenschap als volgt:
de echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire schuld
a. de woning aan de [adres ] moet worden getaxeerd. De vrouw kiest binnen één week na de datum van deze beschikking een taxateur uit de door de man voorgestelde selectie, bestaande uit:
o Van Rossem Makelaardij te Middelharnis;
o Van Alphen Makelaardij te Middelharnis;
o Blue Living Makelaardij te Ouddorp;
de woning wordt toegedeeld aan de man voor de in het taxatierapport vermelde waarde onder de voorwaarde dat de man uiterlijk binnen drie maanden na de datum van het taxatierapport of – als die datum is gelegen voor de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking – uiterlijk binnen drie maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de financiering rond krijgt, zodanig dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;
als het de man niet lukt om de vrouw tijdig te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening, dan moet uiterlijk drie maanden na de datum waarop duidelijk is geworden dat dit niet is gelukt, gestart worden met de verkoop van de woning aan een derde. Die verkoop aan een derde moet geschieden op de volgende manier:
  • verkoop vindt plaats door een door partijen gezamenlijk ingeschakelde makelaar. Als partijen niet tot overeenstemming kunnen komen, selecteert de man drie makelaarskantoren en stuurt deze selectie naar de vrouw. Na ontvangst daarvan kiest de vrouw binnen één week uit die selectie de verkopende makelaar;
  • partijen werken mee aan het eventueel opnieuw bepalen van de verkoopprijs of de vraag- en laatprijs, een en ander in overleg met de makelaar en binnen de door de makelaar gestelde termijn;
  • partijen werken mee aan geplande bezichtigingen;
  • partijen zorgen dat huis en tuin verzorgd ogen voor iedere bezichtiging;
  • partijen verrichten alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en oplevering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen;
  • partijen werken mee aan het tekenen van de koopovereenkomst;
  • partijen werken mee aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, waaronder het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn.
Bij dit alles geldt nog het volgende:
  • voor het geval partijen niet in onderling overleg tot overeenstemming komen over de te hanteren verkoopprijs en of de vraag- en laatprijs, zal de makelaar deze bindend vaststellen, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs in geval verkoop uitblijft;
  • in het geval de makelaar de verkoopprijs en/of vraag- en laatprijs bindend heeft vastgesteld, hanteren partijen deze bij de verkoop van de echtelijke woning aan een derde;
  • als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van een van partijen, voldoet de niet-meewerkende partij de kosten die de makelaar in rekening brengt. Dit geldt ook voor schade en of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van een partij bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan kopers;
de overwaarde van de woning bestaat uit het verschil tussen het bedrag waarvoor de man de woning overneemt enerzijds en de hypothecaire schuld anderzijds, dan wel de verkoopopbrengst minus de verkoopkosten en de hiervoor bedoelde schuld. Bij toedeling van de woning aan de man moet hij de helft van de overwaarde voldoen aan de vrouw.
Bij verkoop van de woning wordt de (restant) verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte verdeeld. Mocht na aflossing bij verkoop toch een hypothecaire schuld resteren, dan dragen partijen deze gelijkelijk;
de kosten verbonden aan de taxatie, de verdeling en levering of verkoop en levering van de woning worden door partijen bij helfte gedragen;
aflossing hypotheek
  • bepaalt dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw voor de helft van de aflossingen in de periode van 16 april 2025 tot de datum van overdracht van de woning;
  • bepaalt dat de vrouw het bedrag dat zij uit hoofde van de hiervoor bedoelde vergoeding is verschuldigd aan de man, ten tijde van de notariële overdracht van de woning aan de man of een derde, mag voldoen uit haar aandeel in de overwaarde van de woning;
inboedel
- bepaalt dat voor zover er sprake is van overige nog niet verdeelde gemeenschappelijke inboedelgoederen, die goederen bij helfte tussen partijen moeten worden verdeeld, zonder nadere verrekening;
SVHW
  • bepaalt dat de vrouw ter zake van de aanslag van SVHW over 2025 € 819,40 aan de man moet voldoen;
  • bepaalt dat de vrouw het bedrag dat zij uit hoofde van de hiervoor bedoelde vergoeding is verschuldigd aan de man, ten tijde van de notariële overdracht van de woning aan de man of een derde, mag voldoen uit haar aandeel in de overwaarde van de woning;
4.8.
verklaart voor recht dat:
  • de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw ter hoogte van € 31.198,68 in verband met de door de man verrichtte betalingen aan de notaris en investeringen in de woning;
  • bepaalt dat de vrouw het bedrag dat zij uit hoofde van de hiervoor bedoelde vergoeding is verschuldigd aan de man, ten tijde van de notariële overdracht van de woning aan de man of een derde, mag voldoen uit haar aandeel in de overwaarde van de woning;
4.9.
wijst af de verzoeken van partijen ten aanzien van de vergoedingsrechten ontstaan voor het huwelijk en het verzoek van de man ten aanzien van een verklaring voor recht voor zijn privévermogen;
4.10.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en voordat verder wordt beslist:
4.11.
bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de verdeling van de (activa en passiva van de) [eenmanszaak] wordt aangehouden tot
1 oktober 2026 PRO FORMA;
4.12.
bepaalt dat partijen voor het opmaken van de winst- en verliesrekening, tevens stakingsbalans, de door de boekhouder gevraagde informatie moeten aanleveren;
4.13.
verzoekt partijen de winst- en verliesrekening, tevens stakingsbalans, na ontvangst per ommegaande te sturen naar de rechtbank, voorzien van hun standpunt ten aanzien van het voorliggende verzoek en hun procedurele wensen, uiterlijk twee weken voor genoemde pro-forma datum;
4.14.
de rechtbank verwijst deze zaak voor verdere behandeling naar de enkelvoudige kamer, in beginsel bij mr. S.L. Raphael;
4.15.
bepaalt dat partijen en hun advocaten op de genoemde pro-forma datum niet hoeven te verschijnen.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, mr. S.L. Raphael en mr. I.J. Pieters, rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C. Vogel, griffier, op 7 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.