ECLI:NL:RBSGR:2001:AE0220
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening in COA-procedure afgewezen wegens ontbreken belang
Verzoekers, met een asielaanvraag ingediend op 27 september 2000, werden als Dublinclaimanten aangemerkt en ontvingen opvang op grond van schrijnende omstandigheden die inmiddels niet meer aanwezig zijn. Na afwijzing van hun asielverzoeken en bezwaar- en beroepsprocedures, werd hun opvang beëindigd per 12 juni 2001 nadat zij met onbekende bestemming waren vertrokken.
Verzoekers verzochten de president van de rechtbank Den Haag om een voorlopige voorziening om opvang te heropenen, stellende dat het belang bij opvang nog bestond. De president oordeelde dat het belang niet meer bestond omdat de kwalificatie als Dublinclaimanten bleef gelden tot overdracht aan het verantwoordelijke land, en dat op grond van het TBV 1999/11 geen opvang wordt geboden zonder zeer schrijnende omstandigheden.
De president bevestigde de bevoegdheid van de vreemdelingenrechter en overwoog dat de beëindiging van verstrekkingen rechtmatig was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom niet ontvankelijk verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor kostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.