ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9105
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- P. van den Brekel
- R.E. Bakker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen afwijzing vluchtelingenstatus ondanks geldige verblijfsvergunning
Eiser, een Afghaanse vreemdeling, diende op 9 mei 2000 een aanvraag in tot toelating als vluchteling. Deze aanvraag werd op 20 oktober 2000 afgewezen, waarna hij een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) ontving. Op 1 april 2001 werd deze vergunning omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser maakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag, maar dit bezwaar werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belang zou hebben bij de toetsing van het bezwaar.
De rechtbank overweegt dat eiser wel degelijk belang heeft bij een rechterlijke toetsing van de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar, omdat anders de mogelijkheid tot juridische controle op het standpunt van verweerder wordt ontnomen. Desalniettemin oordeelt de rechtbank dat eiser geen rechtens relevant belang heeft bij de inhoudelijke toetsing van het bezwaar, omdat de verblijfsvergunning die hij bezit, ongeacht de grondslag, dezelfde rechten en voorzieningen biedt.
De rechtbank verwijst naar de wetsgeschiedenis van de Vreemdelingenwet 2000, waaruit blijkt dat de wetgever doorprocederen over verschillende verleningsgronden wilde voorkomen door één ongedeelde verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te hanteren. De eerdere jurisprudentie waar eiser zich op beroept, is volgens de rechtbank achterhaald door een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Gezien deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.