ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2426
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning en vluchtelingenstatus voor Chaldeeuwse Christen uit Centraal-Irak
Eiser, een Chaldeeuwse Christen uit Centraal-Irak, verzocht om toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning wegens bijzondere hardheid. Hij stelde dat hij vervolgd werd vanwege zijn geloof en een verdenking van verduistering van gestolen staatseigendommen. Verweerder wees de aanvraag af met toepassing van artikel 15c Vreemdelingenwet 2000 wegens kennelijke ongegrondheid.
De rechtbank overwoog dat de situatie in Irak niet zodanig is dat alle Chaldeeuwse Christenen automatisch als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij persoonlijk vervolgd wordt. De rechtbank achtte het aannemelijk dat het om een commun delict gaat, waarvoor geen bescherming op grond van het Vluchtelingenverdrag geldt. Ook was niet gebleken van onevenredige of discriminatoire bestraffing.
Verder oordeelde de rechtbank dat terugkeer naar Noord-Irak geen schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert en dat het ontbreken van banden met Noord-Irak geen recht geeft op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 lid 1 onder Pro d Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van toelating en verblijfsvergunning wordt gehandhaafd.