ECLI:NL:RBSGR:2003:AL1729
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens ontbreken vermoeden onttrekking aan uitzetting
Eiser, een vreemdeling met een lopende beroepsprocedure, werd op 17 juni 2003 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat eiser geen identiteitsdocument had en verdachte was van een misdrijf, en dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats had, wat een grond voor bewaring zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat eiser voorafgaand aan de bewaring rechtmatig verblijf genoot, maar dat dit rechtmatig verblijf eindigde bij de inbewaringstelling. Wel stelde de rechtbank vast dat eiser een vaste verblijfplaats had, namelijk opvanglocaties van het COA of een psychiatrische inrichting, waarvan verweerder op de hoogte was. Er was geen bewijs dat het COA de opvang had stopgezet.
De rechtbank concludeerde dat de grond voor bewaring wegens het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats wegviel en dat de resterende grondslag onvoldoende was om een vermoeden van onttrekking aan uitzetting te rechtvaardigen. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en de bewaring opgeheven. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens het ontbreken van een vermoeden van onttrekking aan uitzetting.