ECLI:NL:RBSGR:2004:AP4391
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling wegens vaste verblijfplaats in AZC en toekenning schadevergoeding
Eiser werd op 15 maart 2004 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef en niet aan zijn vertrektermijn had voldaan. Eiser had hoger beroep ingesteld tegen een eerdere uitspraak, maar mocht deze niet in Nederland afwachten. Hij verbleef echter in een Asielzoekerscentrum (AZC) en beschikte over een w-document.
Namens eiser werd aangevoerd dat de maatregel van bewaring te zwaar was, mede omdat hij een vaste woon- of verblijfplaats had in het AZC en zich had gemeld. De rechtbank stelde vast dat de bewaring niet onrechtmatig was op procedurele gronden, maar dat de grond dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats had niet houdbaar was, aangezien zijn verblijf in het AZC onbetwist was.
Verder werd een verdenking van een misdrijf wegens verzet tegen een politieambtenaar genoemd, maar deze verdenking ontstond pas na de staandehouding en was niet dragend voor de bewaring. De rechtbank concludeerde dat de bewaring van begin af aan onrechtmatig was en gelastte opheffing daarvan.
Daarnaast kende de rechtbank een billijke schadevergoeding toe van €70 per dag voor de elf dagen dat eiser in bewaring had doorgebracht, totaal €770. Tevens werden proceskosten aan verweerder opgelegd. Het beroep werd gegrond verklaard en de bewaring opgeheven.
Uitkomst: De bewaring van eiser wordt opgeheven en hij ontvangt een schadevergoeding van €770.