ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5119
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting
Eiseres, een Chinese nationaliteit houdende vrouw, werd op 1 december 2006 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelde dat zij onder de motie Bos viel en dat er geen zicht op uitzetting bestond, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn. Tevens werd aangevoerd dat uitzetting mogelijk strijdig zou zijn met artikel 8 EVRM Pro vanwege haar dochter.
De rechtbank overwoog dat eiseres sinds 17 juli 2006 geen onderdeel meer uitmaakt van het project Terugkeer en daarmee niet valt onder de opschorting van uitzetting zoals in de motie Bos en de brief van de minister-president van 13 december 2006 is bepaald. Er is voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en de bewaring dient het doel van uitzetting. Er is geen reden om te veronderstellen dat de bewaring een ander doel dient.
Verder is geoordeeld dat er geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM Pro, aangezien gelijktijdig een laissez-passer voor zowel eiseres als haar dochter is aangevraagd. De rechtbank concludeert dat de bewaring rechtmatig is opgelegd en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de opgelegde vreemdelingenbewaring.