ECLI:NL:RVS:2006:AZ4310
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.G.J. Parkins de Vin
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling wegens feitelijke belemmering uitzetting door strafzaak
De zaak betreft het hoger beroep tegen de opheffing van de vreemdelingenbewaring van een vreemdeling die betrokken is bij de Schipholbrandzaak. De rechtbank had de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend omdat zicht op uitzetting ontbrak door een voorwaarde van het Gerechtshof die de vreemdeling verbood Nederland te verlaten zolang de strafzaak niet onherroepelijk was beslist.
De minister stelde dat hij de vreemdeling ter uitzetting in bewaring kon stellen op grond van artikel 45 en Pro 59 van de Vreemdelingenwet 2000, ongeacht de voorwaarde van het Gerechtshof. De Raad van State oordeelde echter dat feitelijke belemmeringen aan uitzetting in de weg kunnen staan, waardoor zicht op uitzetting ontbreekt en bewaring niet rechtmatig is.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond en bepaalde dat de bewaring met ingang van 15 november 2006 opgeheven moet worden. Tevens werd de Staat veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan de vreemdeling.
De uitspraak benadrukt dat de minister niet discretionair kan afzien van uitzetting als feitelijke belemmeringen bestaan en dat de voorwaarden van voorlopige hechtenis het zicht op uitzetting kunnen beïnvloeden. De procedure werd behandeld op 30 november 2006 en het arrest werd uitgesproken op 8 december 2006.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is met ingang van 15 november 2006 onrechtmatig en dient te worden opgeheven met toekenning van schadevergoeding.