ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ7674
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning wegens toepassing artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag en onvoldoende bewijs duurzaam verzet tegen uitzetting
Eiser, afkomstig uit de Democratische Republiek Congo, vroeg asiel aan in Nederland. Verweerder wees zijn aanvraag af op grond van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, omdat eiser zich volgens eigen verklaringen schuldig zou hebben gemaakt aan ernstige misdrijven, waaronder het executeren van meer dan honderd mensen.
Eiser betwistte de juistheid van deze verklaringen en voerde aan dat deze het gevolg waren van fouten van de tolk. De rechtbank stelde echter vast dat eiser tijdens het nader gehoor geen opmerkingen had gemaakt over de tolk en pas jaren later zijn verklaring introk. Hierdoor achtte de rechtbank de stelling van eiser niet aannemelijk.
Daarnaast was de vraag of artikel 3 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) zich duurzaam verzet tegen uitzetting. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd dat de situatie in zijn land van herkomst zodanig was dat uitzetting onrechtmatig zou zijn. Ook de proportionaliteitstoets, waarbij eiser aanvoerde dat het weigeren van een verblijfsvergunning disproportioneel was omdat zijn gezin wel een vergunning had, werd verworpen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht geen verblijfsvergunning had verleend en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag en onvoldoende bewijs duurzaam verzet tegen uitzetting.