ECLI:NL:RBSGR:2007:BA1059
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toetsing mvv-vereiste aan artikel 8 EVRM bij afwijzing verblijfsvergunning regulier
Eiser, een Kaapverdische vreemdeling die sinds 1994 in Nederland verblijft, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn partner. De aanvraag werd afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser maakte bezwaar en stelde dat het vasthouden aan het mvv-vereiste een onbillijkheid van overwegende aard oplevert, mede vanwege de emotionele en praktische gevolgen voor zijn partner en kinderen.
De rechtbank overwoog dat het mvv-vereiste wettelijk is verankerd en dat verweerder een ruime beleidsvrijheid heeft bij de toepassing van de hardheidsclausule. De door eiser overgelegde medische verklaringen boden onvoldoende grond om de gevraagde vrijstelling te rechtvaardigen. Ook is de belangenafweging ten aanzien van de kinderen volgens de rechtbank adequaat gemaakt.
Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM Pro stelde de rechtbank vast dat volgens vaste jurisprudentie toetsing aan deze bepaling primair plaatsvindt in het kader van de mvv-aanvraag zelf. De rechtbank erkende echter dat de periode van gedwongen scheiding tijdens de mvv-procedure mogelijk een schending van artikel 8 kan Pro opleveren en achtte het noodzakelijk dat de nationale rechter deze toets kan maken. Desalniettemin concludeerde de rechtbank dat in dit geval geen vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 EVRM Pro gerechtvaardigd is.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de aanvraag tot verblijfsvergunning afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wegens ontbreken van een geldige mvv wordt ongegrond verklaard.