ECLI:NL:RBSGR:2007:BA4350
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting en voortzetting vreemdelingenbewaring Chinese nationaliteit
De rechtbank 's-Gravenhage behandelde op 1 mei 2007 het beroep van een Chinese vreemdeling tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De kern van het geschil betrof het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, waarbij verweerder stelde dat een laissez-passer was aangevraagd bij de Chinese autoriteiten.
De rechtbank constateerde dat sinds april 2006 aan Chinese vreemdelingen zonder reis- of identiteitsdocument geen laissez-passers worden verstrekt, waardoor voor deze groep geen reëel zicht op uitzetting bestaat. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat toch zicht op uitzetting bestaat. De vreemdeling dient op zijn beurt aan te tonen dat hij voldoende pogingen heeft gedaan om documenten te verkrijgen. In deze zaak had eiser wel gesteld, maar niet onderbouwd met stukken, dat hij pogingen had ondernomen.
Verder nam de rechtbank de voortgangsrapportage van 13 april 2007 in acht en concludeerde dat verweerder voldoende voortvarend handelt om uitzetting te bewerkstelligen. Gelet op de criminele antecedenten van eiser en zijn ongewenstverklaring, woog de belangenafweging in het voordeel van verweerder. De rechtbank oordeelde dat de bewaring niet onrechtmatig of onredelijk was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.