ECLI:NL:RBSGR:2007:BC9630
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Navorderingsaanslag vennootschapsbelasting en herinvesteringsreserve niet aannemelijk
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2001, waarbij verweerder de vorming van een herinvesteringsreserve (HIR) heeft geweigerd. De kern van het geschil betrof de vraag of eiseres ultimo 2001 het vereiste voornemen tot herinvesteren van de opbrengst van de verkoop van een pand had.
De rechtbank stelde vast dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij op 31 december 2001 het voornemen had om de verkoopopbrengst te herinvesteren. De overgelegde verklaringen waren niet overtuigend en konden ook betrekking hebben op transacties van andere partijen. Daarnaast ontbrak bewijs van betrokkenheid van de toenmalige directeur bij het zoeken naar een vervangend pand.
De rechtbank oordeelde dat de vorming van de HIR terecht was geweigerd en dat de navorderingsaanslag niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Proceskosten werden niet toegewezen. Tegen dit vonnis staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage.
Uitkomst: De navorderingsaanslag vennootschapsbelasting wordt gehandhaafd omdat het herinvesteringsvoornemen niet aannemelijk is gemaakt.