ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8953
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Irak
Eiser, een Iraakse vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, werd op 4 maart 2008 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op uitzetting. Verweerder stelde dat er zicht was op uitzetting naar Centraal Irak, onderbouwd met informatie over recente uitzettingen naar Basra en Arbil. De rechtbank oordeelde echter dat deze verwijderingen vrijwillig waren dan wel onvoldoende bewijs boden voor gedwongen uitzetting.
De rechtbank concludeerde dat er sinds januari 2007 geen gedwongen uitzettingen naar Irak hebben plaatsgevonden en dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Hierdoor is de bewaring van eiser van meet af aan onrechtmatig. Tevens werd vastgesteld dat eiser ten tijde van de inbewaringstelling niet beschikte over een geldig identiteitsdocument.
De rechtbank besloot de bewaring op te heffen met ingang van 21 maart 2008, wees het verzoek om schadevergoeding toe voor de periode van 4 tot en met 20 maart 2008, en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten. De schadevergoeding werd vastgesteld op €1.240,00 en de proceskosten op €805,00.
Uitkomst: De rechtbank heft de vreemdelingenbewaring op wegens ontbreken van zicht op uitzetting en kent schadevergoeding en proceskosten toe.