ECLI:NL:RBSGR:2008:BD2457

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
28 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 06/6897 IB/PVV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet bestuursrechtWet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kosten aftrekbaarheid van kosteloos ontvangen presentiewerken door docent en belastingadviseur

Eiser, werkzaam als docent belastingrecht en zelfstandig belastingadviseur, bracht de waarde van kosteloos ontvangen vakliteratuur (presentiewerken) in aftrek als kosten van zijn onderneming. De Belastingdienst kwalificeerde deze als loon uit dienstbetrekking. De rechtbank beoordeelde of deze waarde als zakelijke kosten kon worden afgetrokken.

De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de presentiewerken vrijwel uitsluitend of voor een deel werden gebruikt in zijn belastingadviespraktijk. De boeken en periodieken werden hem verstrekt vanwege zijn functie als docent, waarbij hij zijn vakkennis op peil moest houden voor het onderwijs aan studenten die drie jaar belastingrecht volgden. Het betrof onder meer cursusmateriaal dat expliciet voor het onderwijs bestemd was.

Hoewel eiser foto’s overlegde van zijn kantoor met vakliteratuur, kon daaruit niet worden afgeleid dat de presentiewerken ook in zijn adviespraktijk werden gebruikt. Eerder had eiser de presentiewerken volledig toegerekend aan zijn docentschap. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aftrek van de waarde van de presentiewerken als kosten van de onderneming wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 06/6897 IB/PVV
Uitspraakdatum: 28 maart 2008
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X.], wonende te [Z.], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 7 juli 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 1999 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ([aanslagnummer]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2008.
Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [...].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Eiser heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan voor het jaar 1999 naar een belastbaar inkomen van f 108.124. De primitieve aanslag 1999 is gedagtekend 25 juli 2002 en vermeldt een belastbaar inkomen van f 112.474. Op 29 juli 2002 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. Met dagtekening 7 juli 2006 is het bezwaar tegen deze aanslag afgewezen.
2.2. Eiser is in 1999 werkzaam als docent belastingrecht bij de accountancy-opleiding van de [hogeschool] en daarnaast als zelfstandig gevestigd belastingadviseur te [plaats A.]. In zijn hoedanigheid van docent heeft eiser regelmatig, ongevraagd en kosteloos boeken en periodieken van uitgevers ontvangen, door eiser aangeduid als presentiewerken. De waarde die eiser aan deze presentiewerken toekent wordt door hem als kosten van de onderneming in aftrek gebracht, tezamen met de uitgaven die hij zelf verricht voor vakliteratuur. Eiser geeft in zijn beroepschrift aan dat hij voor het jaar 1998 over een vergelijkbare kwestie heeft geprocedeerd, uitmondend in het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2005, nr. 38.841, BNB 2005/243. Op het punt van de kosten van onderneming heeft het Gerechtshof ‘s-Gravenhage in zijn uitspraak van 9 augustus 2002, nr. BK-01/01977, ten overvloede overwogen dat eiser, tegen de gemotiveerde weerspreking daarvan door de inspecteur, niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van die boeken en periodieken ten dele zijn toe te rekenen aan zijn onderneming.
De waarde van de kosteloos ontvangen presentiewerken heeft eiser voor het jaar 1999 becijferd op f 4.350. Dit bedrag is als volgt samengesteld: Vakstudienieuws f 1.600, Cursus Belastingrecht f 1.250, BNB f 800, WFR en BTW Brief f 400, en Leidraad bij de belastingstudie f 300.
2.3. In geschil is of de waarde van door eiser als docent belastingrecht kosteloos ontvangen presentiewerken in aanmerking kan worden genomen als kosten van eisers onderneming als belastingadviseur.
Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de kosteloos ontvangen presentiewerken als loon uit dienstbetrekking moeten worden aangemerkt. Ter zitting hebben partijen verklaard dat het geschil thans louter ziet op het in aanmerking nemen van de gratis ontvangen presentiewerken als kosten van de onderneming.
2.4. Zakelijk weergegeven stelt eiser dat hoewel hij de presentiewerken in het kader van zijn docentschap heeft ontvangen, hij deze niet of nauwelijks daarvoor gebruikt. Dit heeft, zoals eiser stelt, alles te maken met de achteruitgang van het niveau van het onderwijs vanwege dalende aantallen contacturen en het ontbreken van diepgang; de studenten zouden deze literatuur daarom niet gebruiken. De ontvangen presentiewerken zijn dan ook, zo stelt eiser, vrijwel uitsluitend aangewend in zijn belastingadviespraktijk. In dit verband heeft eiser een zevental foto’s overgelegd waarop het kantoor dat hij als belastingadviseur gebruikt is afgebeeld. Een van de foto’s bevat afbeeldingen van boekenplanken met fiscale vakliteratuur.
2.5. Verweerder stelt zakelijk weergegeven dat eiser kennelijk zelf de mening was toegedaan dat de verstrekte presentiewerken kunnen bijdragen aan een behoorlijke vervulling van eisers dienstbetrekking. In dat verband wijst verweerder erop dat eiser in voorgaande jaren de waarde van de presentiewerken steeds in aftrek heeft gebracht als beroepskosten.
2.6. Op eiser rust de bewijslast aannemelijk te maken dat de aan hem in het kader van zijn docentschap verstrekte presentiewerken kunnen worden toegerekend aan de belasting-adviespraktijk en mitsdien voor aftrek als kosten van de onderneming in aanmerking komen. Eiser is daar naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende in geslaagd.
Tussen partijen is niet in geschil dat de presentiewerken aan eiser zijn verstrekt vanwege zijn functie als docent belastingrecht aan de [hogeschool], een instelling voor hoger beroepsonderwijs. Desgevraagd heeft eiser verklaard dat de studenten in 1999 drie jaar lang onderwezen werden in het vak belastingrecht en dat hij, eiser, in het kader van zijn onderwijstaak zijn vakkennis op peil moest houden en de presentiewerken daarbij een rol vervulden. Met het oog hierop acht de rechtbank niet aannemelijk dat de presentiewerken niet of nauwelijks een rol vervulden in het kader van eisers docentschap. De rechtbank acht in dit verband van belang dat het voor een niet onbelangrijk deel gaat om boekwerken waarvan expliciet uit hun titel volgt dat het cursusmateriaal betreft (Cursus Belastingrecht en Leidraad bij de belastingstudie).
Uit het voorgaande volgt dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat de presentie-werken vrijwel uitsluitend werden aangewend in het kader van eisers belastingadviespraktijk. Dit laat echter onverlet dat de presentiewerken mogelijk wel voor een deel in de belasting-adviespraktijk zijn gebruikt. De foto’s die eiser heeft overgelegd, acht de rechtbank hiertoe niet redengevend omdat daaruit niet valt op te maken in welk verband de presentiewerken destijds door eiser zijn gebruikt. Voor het overige heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niets aangedragen dat deze stelling zou onderbouwen. In dit verband acht de rechtbank nog van belang dat eiser in de voorafgaande jaren tot en met 1998 de verkregen presentiewerken volledig toerekende aan zijn docentschap, en de waarde volledig als beroepskosten in aftrek bracht, hoewel hij ook toen al als zelfstandig belastingadviseur werkzaam was. Desgevraagd heeft eiser aangegeven dat zijn situatie in 1999 niet anders was dan in 1998.
2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
2.8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 28 maart 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van F.J. Crabbendam, griffier.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.