ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3821
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op lijfrente bij inbreng onderneming in houdster- en werkmaatschappij
X en Y, exploitanten van een lunchroom, sloten op 19 april 2001 een overeenkomst tot verkoop van hun onderneming aan Z met leveringsdatum 31 juli 2001, onder ontbindende voorwaarde vanwege huur. Na het niet bereiken van overeenstemming met de verhuurder werd de leveringsdatum verlengd naar 30 september 2001.
Op 13 september 2001 richtten X en Y een houdstermaatschappij (A BV) en een werkmaatschappij (B BV) op, waarin zij de onderneming inbrachten. Als tegenprestatie bedongen zij een lijfrente bij A BV. Vervolgens bracht A BV de onderneming in B BV in. Pas op 16 oktober 2001 leverde B BV de onderneming aan Z.
De rechtbank oordeelde dat onder een overdracht niet kan worden verstaan een onmiddellijke overdracht gevolgd door een vooraf overeengekomen overdracht aan een derde, omdat in dat geval niet kan worden gezegd dat de partij aan wie de premies worden betaald, de onderneming heeft overgenomen. De verkoopovereenkomst van 19 april 2001 was geldig ondanks de ontbindende voorwaarde. X en Y hielden er rekening mee de onderneming zelf voort te zetten, maar streefden ook de uitvoering van de overeenkomst na. Het beroep van X en Y werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van X en Y tegen de navorderingsaanslag wordt ongegrond verklaard.