ECLI:NL:RBSGR:2008:BD3820
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen aftrek lijfrentepremie bij overdracht onderneming via houdster- en werkmaatschappij
Eiser en zijn echtgenote verkochten hun lunchroomonderneming aan koper met een ontbindende voorwaarde omtrent de huur van het pand. Na verlenging van de leveringsdatum richtten zij op 13 september 2001 een houdstermaatschappij (A BV) en een werkmaatschappij (B BV) op, waarin zij de onderneming brachten. Vervolgens werd de onderneming door A BV ingebracht in B BV. Op 16 oktober 2001 leverde B BV de onderneming aan koper.
Eiser vorderde aftrek van lijfrentepremies die hij bedong bij A BV als tegenprestatie voor de overdracht van de onderneming. De inspecteur weigerde dit, stellende dat de lijfrente niet aftrekbaar is omdat A BV de onderneming niet daadwerkelijk heeft overgenomen, gezien de onmiddellijke doorlevering aan B BV en daarna aan koper.
De rechtbank oordeelde dat er op 19 april 2001 een volkomen obligatoire koopovereenkomst tot stand kwam, ondanks de ontbindende voorwaarde. De latere inbreng in A BV en B BV en de uiteindelijke levering aan koper vormden een onmiddellijke doorlevering, waardoor A BV niet als overnemer kan worden beschouwd in de zin van de wet. Hoewel eiser en echtgenote rekening hielden met voortzetting van de onderneming, streefden zij nog steeds de verkoop na en hebben zij geen beletselen opgeworpen voor de levering.
Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is de navorderingsaanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag gehandhaafd.