ECLI:NL:RBSGR:2008:BF0152
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. de Loor-Alwin
- Rechtspraak.nl
Waardering van door verkrijger bewoonde onroerende zaak in successierecht 2006
De zaak betreft de waardering van de onverdeelde helft van een woning die eiser krachtens erfrecht heeft verkregen en waarin hij ten tijde van het overlijden van de erflater woonde. Zijn zuster verkreeg de andere helft. De kernvraag was of de waarde van deze woning moet worden bepaald met inachtneming van artikel 21, elfde lid, van de Successiewet 1956, dat sinds 1 januari 2006 bepaalt dat bij bewoning door de verkrijger geen rekening wordt gehouden met een waardedrukkend effect.
De rechtbank stelt vast dat de wetsgeschiedenis en de tekst van het artikel duidelijk maken dat de wetgever een waardering in vrij opleverbare staat voorstaat, ongeacht of de bewoning berust op huurrecht, vruchtgebruik of ander afdwingbaar recht. De door eiser aangehaalde arresten en wetsgeschiedenis sluiten niet uit dat deze nieuwe waarderingsregel ook op zijn situatie van toepassing is.
Verder oordeelt de rechtbank dat toepassing van dit artikel niet leidt tot een ongeoorloofde discriminatie of dubbele belasting, omdat het waardedrukkende effect van bewoning bij de waardering van het aandeel van de zuster wel wordt meegenomen. De woning werd terecht gewaardeerd zonder rekening te houden met het waardedrukkende effect van de bewoning door eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de waardering van de woning zonder rekening te houden met het waardedrukkende effect van bewoning wordt ongegrond verklaard.