ECLI:NL:RBSGR:2008:BF9111
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. van Es
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting en rechtmatigheid bewaring Chinese vreemdeling
Eiser, een vreemdeling van Chinese nationaliteit zonder rechtmatig verblijf, werd op 5 september 2008 in bewaring gesteld wegens het ontbreken van identiteitspapieren en het risico op ontduiking van uitzetting. Eiser stelde beroep in tegen de bewaring en betoogde dat er geen zicht op uitzetting naar China bestond, mede vanwege een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verweerder stelde dat er sprake was van een wijziging in omstandigheden, onder meer doordat op 8 september 2008 een gesprek plaatsvond tussen de Minister van Justitie en de Chinese ambassadeur en de Chinese autoriteiten een laissez-passer hadden afgegeven voor een Chinese vreemdeling zonder tussenkomst van het IOM. Dit gaf reden tot een positief oordeel over het zicht op uitzetting.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 gerechtvaardigd was, gezien het ontbreken van rechtmatig verblijf, het ontbreken van identiteitspapieren, het gebruik van aliassen en het ontbreken van een vaste verblijfplaats. De rechtbank achtte het handelen van verweerder voortvarend en stelde vast dat er thans wel zicht is op uitzetting, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.