ECLI:NL:RVS:2008:BE9988
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatigheid vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting China
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de vreemdelingenbewaring van een Chinese vreemdeling onrechtmatig achtte wegens het ontbreken van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
De staatssecretaris voerde aan dat maximale diplomatieke inspanningen werden geleverd om een laissez-passer te verkrijgen en dat daardoor voortduring van de bewaring gerechtvaardigd was. Ter zitting bleek echter dat na 9 mei 2008 geen verdere voortgang was geboekt, geen concrete toezeggingen van de Chinese autoriteiten waren ontvangen en dat de termijn waarbinnen een verandering zou optreden niet kon worden genoemd.
De rechtbank concludeerde daarom dat de verwachting van uitzetting binnen een redelijke termijn niet langer gedeeld kon worden en dat de bewaring vanaf 29 juli 2008 onrechtmatig was. De Raad van State deelt deze conclusie en wijst de klachten van de staatssecretaris af.
Daarnaast oordeelt de Raad dat de rechtbank terecht heeft meegewogen dat zelfs bij volledige medewerking van de vreemdeling uitzetting niet plaatsvindt, zodat de bewaring niet langer gerechtvaardigd is. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is wegens ontbreken zicht op uitzetting binnen redelijke termijn.