ECLI:NL:RBSGR:2008:BG5716
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. van Rij
- Rechtspraak.nl
Waardering courante effecten bij successierecht volgens dwingend waarderingsvoorschrift
De zaak betreft een geschil over de waardering van effecten die eiseres heeft verkregen krachtens erfrecht in 2001. Eiseres betwistte de waardering van deze effecten door de Belastingdienst, omdat zij meende dat rekening gehouden moest worden met koersdalingen na het overlijden.
De rechtbank stelt vast dat de waardering van effecten die voorkomen in de prijscourant volgens artikel 21, derde lid, van de Successiewet 1956 dwingend is voorgeschreven op de slotnotering van de laatste beursdag voorafgaand aan het overlijden. Hierdoor kan geen rekening worden gehouden met koersdalingen na het overlijden. De waarde van de effecten werd vastgesteld op € 525.251.
Eiseres voerde aan dat telefonisch door de Belastingdienst was aangegeven dat een koers in de week na het overlijden mocht worden gebruikt, maar de rechtbank oordeelt dat deze uitlatingen slechts algemene voorlichting waren en geen toezegging of goedkeuring inhielden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.
Daarnaast faalt het beroep van eiseres tegen de hoogte van het toegepaste successietarief, aangezien de Hoge Raad dit tarief heeft bevestigd. Klachten over de behandeling van het bezwaar en het hoorgesprek worden eveneens verworpen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de waardering van de effecten conform artikel 21, derde lid, van de Successiewet 1956 wordt bevestigd.