ECLI:NL:RBSGR:2008:BG7314
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. de Loor-Alwin
- Rechtspraak.nl
Recht op huurtoeslag bij co-ouderschap en medebewoning van kind
Eiser maakte bezwaar tegen de beschikking huurtoeslag omdat bij de vaststelling geen rekening werd gehouden met zijn dochter, die op grond van een co-ouderschapsregeling om de week bij hem verblijft maar alleen op het adres van haar moeder staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA).
De rechtbank stelde vast dat de dochter op grond van artikel 4, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) behoort tot beide huishoudens van haar ouders, ondanks dat zij slechts op één adres staat ingeschreven. De rechtbank oordeelde dat deze regeling een uitbreiding vormt op het begrip 'medebewoner' zoals gedefinieerd in artikel 9 van Pro de Wet op de huurtoeslag, en dat bij de toekenning van huurtoeslag rekening moet worden gehouden met kinderen die door co-ouderschap tot beide huishoudens behoren.
Verweerder had aangevoerd dat de Wet op de huurtoeslag als lex specialis geen rekening kan houden met kinderen die tot beide huishoudens behoren, omdat de definitie van medebewoner in die wet geen dergelijke regeling kent. De rechtbank verwierp dit standpunt op grond van de wetsgeschiedenis en de memorie van toelichting bij de Awir, waarin het harmonisatiebeginsel en de toepassing van het begrippenkader van de Awir op de materiewetten, waaronder de Wet op de huurtoeslag, wordt benadrukt.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beschikking en de uitspraak op bezwaar, en droeg verweerder op een nieuwe beschikking te geven met inachtneming van het oordeel. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de dochter als medebewoner moet worden meegeteld bij de huurtoeslag en vernietigt de beschikking.