ECLI:NL:RBSGR:2009:BI8793
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering en strijd met artikel 3 EVRM
Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b van de Vreemdelingenwet 2000. Deze aanvraag werd afgewezen omdat verweerder oordeelde dat de situatie van eiser geen aanleiding gaf tot toelating op grond van het verbod op onmenselijke behandeling zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM.
Eiser voerde aan dat de afwijzing onvoldoende gemotiveerd was, met name omdat verweerder niet had toegelicht waarom de combinatie van factoren rondom zijn scheiding van zijn echtgenote en zoon geen aanleiding gaf tot het verlenen van de vergunning. De rechtbank oordeelde dat verweerder tekort was geschoten in zijn motivering en dat het beroep van eiser op artikel 3 EVRM Pro niet vooraf kon worden uitgesloten.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de weigering op grond van artikel 29 lid 1 onder Pro b betrof en droeg verweerder op opnieuw te beslissen. Voor het overige werden de beroepen afgewezen omdat geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd die heroverweging rechtvaardigden. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning op grond van artikel 29 lid 1 onder b Vw 2000 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en strijd met artikel 3 EVRM.