ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ2481
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- R.J. Paris
- Rechtspraak.nl
Onontvankelijkheid civiele vordering wegens exclusieve bestuursrechtelijke rechtsgang in vreemdelingenrechtelijke zaak
Eiser, een Amerikaanse vreemdeling die ongewenst is verklaard en in strafrechtelijke detentie zat wegens Opiumwetdelicten, vordert primair dat gedaagde wordt verboden hem uit te zetten en zorg te dragen voor medische behandeling en opvang. Deze vordering is gebaseerd op onrechtmatig handelen van bestuursorganen rondom de uitvoering van de vreemdelingenwet en medische zorg tijdens detentie.
Gedaagde voert aan dat de civiele rechter niet bevoegd is omdat er een specifieke bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat voor vreemdelingenrechtelijke geschillen, zoals bevestigd door de Hoge Raad. De voorzieningenrechter volgt dit en verklaart de primaire vorderingen niet ontvankelijk. De subsidiaire vordering tot vergoeding van medische kosten wordt afgewezen omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op deze vergoeding en dat spoedeisend belang ontbreekt.
Het medisch dossier toont dat eiser al langer schouderklachten had en dat het ongeval in detentie heeft geleid tot verergering van het letsel. Er is discussie over de causaliteit en de aard van de behandeling. De voorzieningenrechter benadrukt dat de beoordeling van deze complexe aansprakelijkheids- en causale vraagstukken niet in kort geding kan plaatsvinden, maar in een bodemprocedure.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van het geding. De uitspraak bevestigt dat bestuursrechtelijke procedures exclusief zijn voor vreemdelingenrechtelijke kwesties en dat aanvullende civiele rechtsbescherming niet snel wordt toegekend in dit kader.
Uitkomst: Eiser wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn primaire vorderingen en de subsidiaire vordering wordt afgewezen.