ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4305
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- M.Th. Nijhuis
- Rechtspraak.nl
Kort geding over uitlevering van Letse eisers aan de Verenigde Staten wegens fraude en afpersing
Eisers, afkomstig uit Letland, zijn in februari 2008 in Nederland aangehouden op verzoek van de Verenigde Staten, die uitlevering vroegen wegens fraude en afpersing. De rechtbank Rotterdam verklaarde de uitlevering toelaatbaar en de Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van eisers. De Minister van Justitie besloot tot uitlevering. Eisers vorderen in kort geding dat uitlevering wordt verboden en dat zij in Nederland worden vervolgd.
Eisers voeren aan dat het bewijsmateriaal ontoereikend is en onrechtmatig is verkregen, onder meer door uitlokking. Tevens wijzen zij op het Amerikaanse plea bargaining-systeem dat volgens hen leidt tot schending van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM Pro). De voorzieningenrechter oordeelt dat de beoordeling van bewijs en rechtmatigheid daarvan aan de uitleveringsrechter toekomt en dat het plea bargain-systeem niet op zichzelf uitlevering in de weg staat.
Verder stellen eisers dat zij reeds in Nederland worden vervolgd, wat uitlevering zou moeten verhinderen. De voorzieningenrechter constateert dat de aanhouding en inverzekeringstelling in Nederland plaatsvonden op grond van Nederlandse strafbepalingen, maar dat het onduidelijk is of dit in het kader van rechtshulp aan de VS gebeurde. Daarom wordt de beslissing aangehouden en wordt de Staat verzocht nadere schriftelijke toelichting te geven over de toegepaste opsporings- en vervolgingsbevoegdheden.
Ten slotte wijzen eisers op mogelijke schendingen van het specialiteitsbeginsel en artikel 3 EVRM Pro (verbod op foltering en onmenselijke behandeling). De voorzieningenrechter oordeelt dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn voor flagrante schendingen en dat het vertrouwensbeginsel in de naleving van fundamentele rechten door de VS geldt.
De mondelinge behandeling wordt voortgezet op 3 september 2009, waarbij de Staat schriftelijk moet reageren op de gevraagde toelichting.
Uitkomst: De beslissing over het kort geding wordt aangehouden voor nadere schriftelijke toelichting van de Staat en voortzetting van de mondelinge behandeling.