ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ4884
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning wegens ontbreken ononderbroken verblijf Nederland
Verzoeker, van Iraakse nationaliteit, diende op 8 februari 2002 een asielaanvraag in Duitsland in en werd op 6 juni 2002 overgedragen aan Nederlandse autoriteiten. Verzoeker betoogde dat zijn verblijf in Duitsland kort was en dat hij geen intentie had zich daar te vestigen. De Staatssecretaris weigerde een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (RANOV) omdat niet was aangetoond dat verzoeker sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland verbleef.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker zijn stellingen omtrent de duur en intentie van zijn verblijf in Duitsland niet met objectieve gegevens had onderbouwd. Ook het ontbreken van een melding van vertrek uit Nederland (MOB) en het feit dat verzoeker nooit uit de opvang was gezet, waren onvoldoende om het vereiste ononderbroken verblijf aan te nemen. De rechtbank achtte het niet onredelijk dat de gevolgen van het indienen van een asielaanvraag in een andere lidstaat voor rekening van de aanvrager komen.
Verzoekers beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de aangehaalde jurisprudentie betrekking had op andere situaties zonder asielaanvraag in de andere lidstaat. Ook het beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Awb Pro werd verworpen vanwege het ontbreken van onderbouwing. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om geen verblijfsvergunning te verlenen wordt bevestigd.