ECLI:NL:RBSGR:2009:BL0625
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding minderjarige naar Polen wegens niet-uitgeoefend gezagsrecht vader
De zaak betreft een kinderontvoeringsprocedure waarbij de vader verzocht om teruggeleiding van zijn minderjarige zoon van Nederland naar Polen. De moeder had de minderjarige in juni 2008 naar Nederland overgebracht. De rechtbank stelt vast dat het gezagsrecht volgens Pools recht gezamenlijk is toegekend aan beide ouders, maar dat de vader het gezagsrecht niet daadwerkelijk heeft uitgeoefend op het moment van de overbrenging.
De moeder heeft aangevoerd dat de vader toestemming heeft gegeven voor het verblijf in Nederland, terwijl de vader dit betwist en stelt dat hij slechts toestemming gaf voor een tijdelijk verblijf tot uiterlijk 31 augustus 2008. De rechtbank acht de stellingen van de moeder onvoldoende onderbouwd en concludeert dat de overbrenging in strijd is met het formele gezagsrecht van de vader, maar dat het gezagsrecht niet daadwerkelijk werd uitgeoefend.
De rechtbank baseert zich op feiten waaruit blijkt dat de minderjarige voornamelijk bij de moeder en haar ouders heeft gewoond, dat de vader geen materiële zorg- en opvoedingstaken heeft verricht en dat de omgangsregeling niet werd nageleefd. Gezien deze omstandigheden is niet voldaan aan artikel 3 lid Pro 1b van het Haagse Verdrag, waardoor er geen sprake is van een ongeoorloofde overbrenging of achterhouding. Het verzoek tot teruggeleiding wordt daarom afgewezen.
De rechtbank bepaalt dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt en ziet geen aanleiding om het verzoek van de moeder tot voorlopige voorzieningen te behandelen. De uitspraak is gedaan door drie kinderrechters en griffier tijdens een openbare zitting op 3 november 2009.
Uitkomst: Het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarige naar Polen wordt afgewezen omdat het gezagsrecht niet daadwerkelijk werd uitgeoefend.